 | TRUTH | TRUTH |  |
| Deze site is geopend om inzicht te verschaffen in de toedracht en de werkelijke achtergrond van de moord op John F. Kennedy, op 22 november 1963.
De archieven betreffende de moord op JFK worden in 2039 geopend.
De archieven die vanaf 1993 openbaar zijn gemaakt, zijn onbelangrijk en bedoeld om het volk te kalmeren en opnieuw om de tuin te leiden!
Het antwoord bevindt zich niet in de archieven!
Ik beschik over de nog nimmer gepubliceerde 8 mm-film van de aanslag op JFK, gemaakt op 22 november 1963!
Ik beschik over bandopnamen van de complotteurs.
Dit is niet het zoveelste verhaal over de zoveelste complottheorie!
Dit is de waarheid, de waarheid en niets dan de waarheid.
De geheime fotoframes.
Datum opname: 22 november 1963
Maker film: Babushka Lady
Let op de houten schutting boven aan de grasheuvel!
|
Deze foto-frames zijn afkomstig van een 8mm-film, opgenomen op 22 november 1963 op Dealey Plaza, Texas. De maker ervan is later bekend geworden als de Babushka Lady, omdat ze haar hoofddoek als een Russisch omaatje om haar hoofd had geknoopt op het tijdstip dat ze de foto's nam, zoals te zien is op vrij beschikbare films die door anderen op hetzelfde tijdstip op Dealey Plaza genomen zijn, te weten door Abraham Zapruder en Marie Muchmore.
De camera en de 8mm-film zijn toentertijd verdwenen en nooit meer boven water gekomen.
De getoonde frames zijn fragmenten uit de film die door de Babushka Lady is gemaakt van de motor-escorte van president Kennedy toen die over Elm Street langs reed. De Babushka Lady bevond zich op dat moment aan de oostelijke zijde van Elm Street.
Naar aanleiding van de film JFK van Oliver Stone is een hernieuwde en heftige openbare discussie ontstaan over de vraag wie er achter de aanslag op Kennedy zat. Het gros van de Amerikaanse bevolking gelooft immers nog steeds dat er sprake was van een complot en dat Lee Harvey Oswald inderdaad slechts een zondebok was.
President Clinton wilde aan deze onrust tegemoet komen en stelde daarom de Assassination Record Review Board in, een adviescommissie die de openbaarmaking van alle documenten opnieuw tegen het licht moest houden.
Vanaf 1993 werden honderdduizenden documenten aangaande het onderzoek naar de moord op JFK door de Review Board vrijgegeven, maar u en ik weten dat de werkelijk terzake doende informatie daar niet bij zat.
Dus we zijn nog steeds geen steek verder.
Ik wil het dus met u hebben over de aanslag op John F. Kennedy, de 35ste president van de Verenigde Staten.
De complottheorieën die tot nu toe zijn geuit, zijn alle bezijden de waarheid, evenals het standpunt dat ene Lee Harvey Oswald in zijn eentje Kennedy zou hebben vermoord.
Dit tot nu toe officiële standpunt van de Amerikaanse regering is onzin!
Oswald was een lokeend, maar niet alleen hij.
Clay Shaw, David Ferrie, Guy Banister, ze waren allemaal lokeenden. Het gehele complot, zoals dat door officier van justitie Jim Garrison in de zestiger jaren van de vorige eeuw is vormgegeven en uitgebeeld in de film JFK van Oliver Stone, behelst slechts een rookgordijn, een nepcomplot om de werkelijke opdrachtgevers te beschermen.
|
WAAROM HEEFT NIEMAND DE OLIE-CONNECTIE ONDERZOCHT?
WAREN DE BELANGEN TE GROOT?
DE VOORSTELLEN VAN KENNEDY ZOUDEN DE OLIE-INDUSTRIE RUWWEG TWEE MILJARD DOLLAR PER JAAR GAAN KOSTEN, IN 1963!
ER ZIJN WELEENS MENSEN VOOR MINDER VERMOORD.
HOEVEEL IS HET LEVEN VAN EEN PRESIDENT WAARD?
Veertig jaar geleden werd John F. Kennedy vermoord.
Het moment is aangebroken om het Amerikaanse volk en de rest van de wereld voor eens en altijd deelgenoot te maken van de werkelijke toedracht van de moord.
Uiteindelijk zult u uw eigen oordeel moeten vellen.
Want regeringen doen nooit wat zij hun volk beloven.
Er zijn de afgelopen tientallen jaren ontelbare dingen over de zaak JFK gezegd en geschreven, maar tegelijkertijd zijn vele zaken onderbelicht gebleven, door tegenwerking van de regering, onderzoekscommissies, politie- en inlichtingendiensten.
De bestaande complottheorieën zijn bezijden de waarheid.
Allereerst bent u immers murw gemaakt met de theorie van de Warren-commissie, dat er één dader zou zijn en geen complot, gestaafd door de magic-single-bullet-theory, die later door vele onderzoekers is ontzenuwd en belachelijk gemaakt.
Deze theorie werd aanvankelijk door de overheid naar buiten gebracht als de enige ware toedracht van de aanslag op Kennedy.
Het is een theorie die is gebaseerd op gegevens van een vooringenomen commissie die slechts tot doel had het Amerikaanse volk te sussen en haar een voorgestampt verhaal door de strot te duwen.
Laat ik uw geheugen opfrissen.
De Warren-commissie, voluit The President's Commission on the Assassination of President Kennedy, maar veelal genoemd naar haar voorzitter Earl Warren, opperrechter van het Supreme Court van de VS, werd op 29 november 1963 ingesteld op aandringen van president Johnson om uit te zoeken wat de ware toedracht was van de moord op John F. Kennedy.
Ondertussen begon ook de FBI met haar onderzoek, wat op 9 december van dat jaar leidde tot de uitgave van een lijvig rapport, bestaande uit vijf delen waaruit bleek dat Lee Harvey Oswald de enige moordenaar was.
Op diezelfde dag stuurde de onder-Minister van Justitie Nicholas Katzenbach op eigen initiatief een brief naar alle leden van de Warren-commissie, waarin hij hen aanraadde om met een verklaring te komen waarin stond dat het FBI rapport duidelijk aantoonde dat er geen complot was maar dat Oswald de enige dader was van de moord op Kennedy.
Minister van Justitie Robert Kennedy, die ervan overtuigd was dat ofwel Castro ofwel de maffia betrokken moest zijn bij het complot, deed vrijwel niets om deze theorieën aan een nader onderzoek te onderwerpen, bang als hij was dat de CIA-maffia- complotten tegen Castro (de zogenaamde AmLash affaire) en de affaires van zijn broer met de vriendinnen van maffia-bazen -(zoals Judith Campbell, de vriendin van maffia-baas Sam Giancana, die met president Kennedy geruime tijd een amoureuze affaire zou onderhouden), dezelfde onderwereldfiguren waaraan Robert Kennedy de oorlog had verklaard - aan het licht zouden komen.
Dit zou immers teveel schade aanrichten aan het imago van de Kennedy's en daarmee aan zijn eigen politieke carrière.
Zijn schuldgevoel moet groot zijn geweest.
Misschien zou hij, als hij ooit president zou worden, in een positie komen te verkeren waarin hij in staat zou zijn om de schuldigen voor de moord op zijn broer op te sporen en te straffen.
'I now fully realize,' verklaarde hij tegenover een groep studenten aan het San Fernando State College op 3 juni 1968, 'that only the powers of the presidency will reveal the secrets of my brother's death.'
Drie dagen later werd ook hij het slachtoffer van een aanslag op zijn leven.
De Warren-Commissie ging uiteindelijk uit van de theorie dat één kogel, afgevuurd vanuit het Texas Book Depository aan Elm Street, de president en gouverneur Connally zeven verwondingen kon toebrengen.
Waarom? |
Uit de film die amateur-filmer Abraham Zapruder per ongeluk had gemaakt van de aanslag, bleek namelijk dat president Kennedy en gouverneur Connally, die voor hem in de limousine zat, binnen 1,8 seconden na elkaar waren geraakt door een kogel.
Vast stond dat de president niet was neergeschoten voor frame nr. 166 en omdat het bladerdek van een grote eikenboom het zicht tussen frame 166 en 207 had weggenomen, concludeerde men dat de president op zijn vroegst had kunnen zijn beschoten op frame nr. 207. Experts stelden met instemming van de commissie vast dat gouverneur Connally zich in zo'n positie bevond dat hij niet had kunnen worden beschoten na frame nr. 240.
De maximumtijd tussen de tijdstippen dat de beide mannen waren beschoten, was dus 33 frames oftewel 1,8 seconden.
Echter, vast kwam te staan dat de minimale tijd waarin met het wapen waarmee de aanslag was gepleegd, een Mannlicher Carcano 6,5 kaliber geweer, twee keer kon worden geschoten, 2,3 seconden bedroeg, ofwel 42 frames. Hierbij was de tijd benodigd om te richten nog niet eens in aanmerking genomen.
Afgaande op het bewijs was het dus onmogelijk dat de beide slachtoffers in de genoemde tijdspanne afzonderlijk door hetzelfde wapen waren geraakt. Of de twee mannen moesten dus zijn geraakt door dezelfde kogel of er waren twee moordenaars geweest. Omdat de commissie de mogelijkheid van een samenzwering door meerdere personen wilde uitsluiten, Lee Harvey Oswald was immers reeds tot de enige aanslagpleger gebombardeerd, werd de single-bullet-theory te berde gebracht.
Deze theorie was in strijd met een groot aantal onderzoeksresultaten tot dan toe.
Kort gezegd hield de theorie in dat president Kennedy en gouverneur Connally door een en dezelfde kogel waren geraakt en wel zodanig dat er zeven inslag- en uitgangswonden door waren veroorzaakt. De kogel ging de rug of nek van de president in (1) en ging omlaag in een hoek van ongeveer zeventien graden. Toen ging hij omhoog en kwam aan de voorkant de hals van Kennedy uit (2). Daarna ging hij verder het lichaam van Connally in, achter zijn rechteroksel (3). Aangezien gouverneur Connally recht voor president Kennedy zat, moest worden aangenomen dat de kogel op de een of andere manier genoeg naar rechts ging om in linkse richting Connally binnen te gaan. Nu ging de kogel omlaag in een hoek van zevenentwintig graden, verbrijzelde Connally's vijfde rib en kwam rechts uit zijn borst (4). De kogel ging verder naar beneden en ging Connally's rechterpols in (5), waarbij hij het spaakbeen verbrijzelde. Nadat hij aan de andere kant uit de rechterpols van de gouverneur was gekomen (6), ging hij de rechterdij in (7), waar hij later uit viel. Volgens de officiële lezing werd de kogel later in vrijwel onbeschadigde toestand teruggevonden in een gang van het Parkland-ziekenhuis, blijkbaar was hij van een brancard gevallen. De kogel was bijna puntgaaf, hij was alleen aan de basis enigszins vervormd. Merkwaardigerwijs werden er in de pols van gouverneur Connally meer fragmenten gevonden dan er aan de magische kogel bleken te ontbreken.,
Deze theorie behelsde dus niets minder dan fraude, opgezet om ieder gerucht van een samenzwering de kop in te drukken.
Vanaf dat moment is de waarheid nooit meer boven water gekomen. De toon was gezet, een toon van onvolkomen onderzoeken, onverklaarbaar verdwenen getuigenissen en gemanipuleerde bewijsstukken.
Vele pogingen van onderzoekers strandden in onwil en tegenwerking van de officiële instanties.
De auto van Kennedy was inmiddels gestript. De kleding van gouverneur Connally was ondertussen schoongemaakt en verdwenen.
De verschillende autopsie-foto's van het lichaam van Kennedy klopten niet met elkaar en de verklaringen van de patholoog-anatomen ook niet.
Zo bestaat er tot op de dag van vandaag verwarring welke kogels Kennedy waar precies hebben geraakt en van welke zijde.
Aanvankelijk oordeelden de artsen in het Parkland-hospitaal in Dallas, Texas dat Kennedy een intrede-wond in de keel had. Dat zou dus betekenen dat hij van voren of schuin van voren zou zijn beschoten. Omdat de artsen in een poging om Kennedy te redden een tracheotomie toepasten, dat wil zeggen dat ze een incisie maakten in zijn keel om via een buis zuurstof toe te dienen, hadden ze de wond echter vergroot. Nadat het lichaam van Kennedy door de geheime dienst tegen de regels in was vervoerd naar Washington, oordeelden de artsen in het Bethesda-marine-hospitaal in Washington vervolgens dat de wond in de keel een uitgangswond was, daarmee impliciet oordelende dat het betreffende schot van achteren was gekomen. Overigens slaagden de Bethesda-artsen er niet in om die wond dan door de rug of nek terug te herleiden naar een ingangswond. De enige ingangswond die de rug van de president vertoonde was slechts enkele centimeters diep, wat men vaststelde door er simpelweg een vinger in te duwen.
En later, als klap op de vuurpijl, toen men de hersenen van de president wilde onderzoeken, waren die hersenen verdwenen. Zomaar, pardoes...
En op dit moment, in 2007 , zijn ze dat nog steeds...
En u, het volk, hebt dat aanvankelijk allemaal voor zoete koek geslikt! Triest, maar begrijpelijk misschien als je de patriottische geest van een volk accepteert als een in de kiem goede eigenschap. Een eigenschap die de overheid soms al te gemakkelijk als vanzelfsprekend accepteert en die misbruik eveneens als bijna vanzelfsprekend in de hand werkt.
Een kogel die van achteren kwam en zevenmaal van richting veranderde en die Kennedy en gouverneur Connally meermalen verwondde: absurd!
Terwijl iedereen die er in de buurt stond, had kunnen waarnemen dat de kogel die Kennedy uiteindelijk dodelijk verwondde en zijn schedel er gedeeltelijk vanaf blies (frame nummer 313 van de Zapruderfilm), van voren of schuin van voren kwam. Kennedy's hoofd sloeg immers duidelijk naar achteren en naar links. Naar achteren en naar links!
Dus moest er een complot zijn, al moest het nog tot 1976 duren alvorens de House Select Committee on Assassinations (HSCA), de commissie die officieel werd ingesteld om de vele vragen die er over de moord op president Kennedy bestonden uit te zoeken, die conclusie officieel uitsprak. Al wist men ook toen nog steeds niet wie daar dan achter zou moeten zitten.
De HSCA deed de sterke aanbeveling aan het Ministerie van Justitie om verder onderzoek te verrichten naar het bestaan van een complot, een aanbeveling die in de la belandde en waar verder niets mee is gedaan.
Niemand van de vele onderzoekers en schrijvers is er tot nu toe in geslaagd om echt dicht bij de waarheid te komen. Sommigen van hen waren op de goede weg, zoals Officier van Justitie Garrison van New Orleans, die de hele zaak uitermate consciëntieus heeft onderzocht en wiens gegevens de basis vormden voor de film JFK. Maar de cruciale vraag, wie de daadwerkelijke opdrachtgevers waren, is tot nu toe altijd onbeantwoord gebleven.
|
In het navolgende zal worden aangetoond dat de opdrachtgevers van de moord op JFK moeten worden gezocht in de kringen van de olie-industrie. Zij hadden er belang bij en zij hadden de middelen en misschien nog belangrijker dan dat, zij haatten de president voldoende om hem uit de weg te willen laten ruimen.
En vanaf het moment dat de daadwerkelijke aanslag plaatsvond, nam de doofpot-affaire in wezen al een aanvang.
Onzin?
Is dat zo?
Feit is dat vele betrokkenen, gewild of ongewild, in meer of mindere mate, een bijdrage hebben geleverd aan de tegenwerking van het onderzoek naar de ware toedracht en achtergrond van de aanslag.
Vice-president Johnson was een Texas-adept. Hij kende de sores aldaar en wist dat Kennedy te ver wilde gaan.
Hij wilde goede maatjes blijven met de Texaanse olie-industrie omdat hij wist dat hij ooit van hen afhankelijk zou zijn. De geruchten dan Johnson door Kennedy zou worden gedropt als kandidaat voor het vice-presidentschap in 1964, werden immers steeds sterker. Op zo kort mogelijke termijn stelde Johnson de reeds genoemde Warren-commissie in, waarvan opperrechter Earl Warren met tegenzin voorzitter werd. Maar het moest snel gebeuren, zodat alle andere initiatieven tot het instellen van onderzoeks-commissies, waarop de regering uiteraard minder invloed kon uitoefenen dan op die van henzelf, in de kiem konden worden gesmoord.
Een andere naam dan, die van de republikeinse ex-president Bush.
In zijn tijd als CIA-directeur zorgde hij er persoonlijk voor dat de Senaatscommissie inzake de aanslag op Kennedy geen schadelijke informatie van de CIA loskreeg. Bush vroeg zelf onmiddellijk om alle inlichtingen over alle personen die in staat zouden zijn de eventuele medeplichtigheid van de CIA aan de moord op Kennedy en aan het verbergen van de ware toedracht ervan, aan hem bekend te maken.
Nog een republikeinse ex-president, Ronald Reagan.
In zijn tijd als gouverneur van Californië weigerde Reagan om een belangrijke getuige, Edgar Eugene Bradley, uit te leveren aan Officier van Justitie Jim Garrison die de moord op Kennedy onderzocht.
Waarom?
De Texaanse gouverneur John Connally, die notabene zelf het tweede slachtoffer was toen hij Kennedy vergezelde in de limousine in Dallas, weigerde om Sergio Archaca Smith, leider van het Cuban Revolutionary Front in New Orleans die later naar Dallas, Texas, verhuisde, uit te leveren aan Garrison.
Waarom?
Slechts een paar belangrijke namen, die hier alvast worden genoemd.
Maar de werkelijke oorzaak van de aanslag op president Kennedy vond zijn oorzaak in de wijze waarop in de VS overheids- en financiële belangen sinds jaar en dag met elkaar zijn verstrengeld. In de manier waarop de Amerikaanse politiek en het zakenleven van elkaar afhankelijk zijn en geld en macht de alom tegenwoordige factoren zijn waarop de kurk van de Amerikaanse samenleving drijft.
De Kennedy's verstoorden dat evenwicht en dat konden de kapitalistische vrije olie-jongens uit Texas niet over hun kant laten gaan...
En dan rijst de belangrijkste vraag die deze hele kwestie vanaf het prilste begin af aan altijd al heeft beheerst en die vrijwel alle belangrijke kwesties betreffende macht en onmacht, goed en kwaad, triomf of neergang, die zich in de Verenigde Staten in het verleden, heden of toekomst hebben voorgedaan, voordoen of zullen voordoen, overheerst:
WAAR ZIT HET GELD?
Of, meer specifiek in dit geval:
HOEVEEL IS HET LEVEN VAN EEN PRESIDENT WAARD?
En mocht u als scepticus van oordeel zijn dat het allemaal niet zo'n vaart zal lopen en dat de macht en invloed van de olielobby schromelijk wordt overdreven, mag ik u dan wijzen op een in dit verband significante gebeurtenis tijdens de onlangs, in 2003 dus(!), gevoerde oorlog in Irak:
BAGDAD was overwonnen, de gehele stad werd geplunderd, mensen namen alles mee wat ze konden gebruiken of niet: stoelen, verwarmingsradiatoren, aircotoestellen, kunstvoorwerpen, raketten, alles. Gebouwen werden in brand gestoken, kortom, de gehele stad werd gestript.
En de militairen …………
Ze stonden erbij en keken ernaar. Ze hadden geen mandaat om in te grijpen. Niemand die het begreep, de Irakezen niet en de rest van de wereld niet.
Alles werd overhoop gehaald, behalve ……..?
Behalve het Ministerie van Olie!
Het enige gebouw in geheel Bagdad dat blijkbaar de moeite waard was om te verdedigen!
En dat terwijl het toch maar een foeilelijk, oninteressant gebouw leek.
Na de oorlog is de oliewinning in Irak, de realisatie van de nieuwe infra-structuur en de opbouw van kapot geschoten steden als Bagdad, voor het overgrote deel gegund aan conglomeraten van grote Amerikaanse bedrijven en Amerikaanse oliemaatschappijen! Veruit de grootste opdrachtnemer is Halliburton, het grootste Amerikaanse bouwconcern, waarvan vice-president Dick Cheney tot voor enige jaren president-directeur was en van welk bedrijf hij nog steeds een jaarlijkse bonus ontvangt.
De tijden lijken niet veranderd.
De verstrengeling tussen overheids- en financiële belangen is hechter dan ooit.
|
|
HET STAALINCIDENT
Want hoewel wij thans geen melding maken van onze namen of bijeenkomsten, zo zal toch ieders uitgesproken verklaring ons zeker in handen komen, in welke taal die ook geschreven zij.
Al binnen het eerste jaar van zijn ambtstermijn werden de bange vermoedens van het establishment bewaarheid. De ster van Kennedy was snel dalende bij het ondernemingsgezinde deel van de natie.
In 1961 had hij reeds zijn eerste belastingvoorstellen ingediend en die beloofden niet veel goeds voor de heersende klasse.
Met het zogenaamde staalincident dat plaatsvond in 1962 verklaarde Kennedy hen echter de oorlog.
Reeds in 1961 maakte president Kennedy zich zorgen over het niveau van kosten en prijzen. Inflatie door kostenstijgingen vormde een bedreiging voor de economie. De staalindustrie nam een sleutelpositie in bij het streven naar prijsstabilisatie, omdat stijging van de staalprijs zo'n veelomvattend en verstrekkend effect had op de gehele economie. In september 1961 schreef Kennedy de president-directeuren van de grote staalondernemingen daarom een brief waarin hij de staalindustrie beschreef als een "essentiële bedrijfstak, maar ook een voornaam element bij de industriële kostenontwikkeling" en waarin hij de hoop uitsprak dat de industrie "zich zou onthouden van een prijsverhoging". Vervolgens schreef hij een brief naar David J. McDonald van de Verenigde Staalunie, waarin hij voorstelde om de looneisen "binnen de grenzen van de productiviteitsstijging" te houden.
Begin 1962 werkte Goldberg, de minister van arbeid die zelf algemeen juridisch adviseur was geweest van de Staalunie, aan de onderhandelingen voor een non-inflatoire overeenkomst die in april zowel door de unie als door de bedrijven aanvaard werd. Alle betrokkenen dachten dat de zaak daarmee geregeld was.
Maar op 10 april bracht Roger Blough, de president-commissaris
van United States Steel, zijn beruchte bezoek aan het Witte Huis, en overhandigde Kennedy zonder enige voorafgaande waarschuwing een verklaring van vier pagina's, waarin het besluit werd aangekondigd om de staalprijs te verhogen met zes dollar per ton, een verklaring die door de leiding van het bedrijf in feite al voor publicatie werd vrijgegeven voordat Blough zijn onderhoud met de president beëindigd had.
De staalindustrie zette Kennedy hiermee voor schut. Op het moment dat Blough het kantoor verliet, zou Kennedy zich een opmerking laten ontvallen die het bedrijfsleven hem nooit meer zou vergeven:
"Mijn vader zei altijd dat alle zakenlieden rotzakken waren, nu begin ik te geloven dat hij gelijk had."
De volgende morgen kondigde ook Bethlehem Steel, de op een na grootste maatschappij, een prijsverhoging af en vier andere bedrijven volgden snel.
Deze handelwijze vormde een ernstige bedreiging voor Kennedy's loon- en prijsbeleid, voor het programma van economische expansie, voor de betalingsbalans en het vertrouwen dat de vakbeweging in hem stelde. JFK was woedend. Hij typeerde deze handelwijze als een "volkomen ongerechtvaardigd tarten van het algemeen belang door een handvol directeuren wier zucht naar persoonlijke macht en fortuin hun besef van nationale verantwoordelijkheid te boven gaat."
Kennedy zinde op wraak.
Alle middelen werden ingezet.
Hij instrueerde het Ministerie van Defensie om zijn opdrachten aan United States Steel te annuleren ten gunste van bedrijven die hun prijs nog niet hadden verhoogd. Het departement van Justitie onder leiding van Robert Kennedy begon een onderzoek naar eventuele overtreding van de antitrustwetten door de staalondernemingen. Daarbij werd ook gebruik gemaakt van de diensten van de FBI. De Federale Handelscommissie kondigde aan een onderzoek in te stellen naar de vraag of de staalbedrijven de voorschriften tegen onderhandse prijsbinding hadden overschreden. Antitrust-commissies van het Congres kondigden aan getuigenverhoren te beginnen. Ted Sorensen, een van de belangrijkste adviseurs van de president, begon te werken aan noodwetten op het gebied van lonen en prijzen.
De tactiek was er op gericht, dat als maar voldoende bedrijven zouden weigeren om mee te gaan met de prijsstijging, U.S.Steel en de andere grote bedrijven door de concurrentie gedwongen zouden worden om hun prijzen uit zelfverdediging weer te verlagen.
De publieke opinie schaarde zich achter de president.
JFK slaagde erin om enkele staalbedrijven, Inland Kaiser en Aramco Steel Corporation, te overreden om zich aan de oude prijzen te houden. Ook Bethlehem Steel trok zijn prijsverhoging in. En uiteindelijk moest ook United States Steel capituleren.
De strijd leek dus gewonnen. Kennedy had het Amerikaanse bedrijfsleven voor eens en altijd duidelijk gemaakt dat ze niet met hem konden sollen.
Maar door deze strijd tussen Kennedy en de staalindustrie werden beide partijen echter eveneens gesterkt in hun achterdocht jegens elkaar. Anders dan Eisenhower hield Kennedy afstand tot het bedrijfsleven. Hij maakte in wezen duidelijk dat hij niet afhankelijk was van hen. En waarom zou hij ook, anders dan zijn voorgangers had hij het geld van het bedrijfsleven niet nodig om campagne te kunnen voeren. Hij was steenrijk en het fortuin van vader Joe had hem gebracht tot waar hij was, niet de steun van de grote bedrijven. En dat begrepen ze nu maar al te goed. Hij had hen niet bepaald zachtzinnig met de neus op de feiten gedrukt. En voor het bedrijfsleven was er in elk geval weer eens een democratische regering die als zwart schaap kon dienen. Er zat weer een kerel in het Witte Huis die ze konden haten. Het bedrijfsleven had daarmee haar oude rituelen en boosdoeners weer terug.
Met deze overwinning diende Kennedy het bedrijfsleven dan ook ondubbelzinnig van antwoord op de vraag wie er eigenlijk de baas was in de VS.
Velen zijn er van overtuigd dat hij met deze politiek het begin van zijn einde heeft ingeluid. Hij was simpelweg op de verkeerde tenen gaan staan.
En ergens diep van binnen wist Kennedy dat misschien ook, of had hij in elk geval een eerste begin van een besef van wat hij had aangericht.
In april 1962 zei hij het zo tegen zijn naaste adviseurs, Sorensen en Schlesinger:
'Ik begrijp iedere dag beter hoe Roosevelt, die aanvankelijk zo mild was in zijn oordelen, eindigde als een fervente vijand van de zakenwereld. Het is verdomd moeilijk om vriendelijk te zijn tegen mensen die blijven proberen je kapot te maken. (…) Er zijn zo'n tienduizend mensen in ons land die daar op uit zijn, - banken, industriëlen, advocaten, uitgevers en politici …"
Dat zijn woorden later zo'n profetische waarde zouden hebben, kon hij toen nog niet bevroeden, maar dit was de start van de steeds diepere haat die men tegen hem zou ontwikkelen. Misschien was het slechts het allereerste begin, maar het
zette een trein in beweging die niet meer te stoppen was.
|
|
OIL-DEPLETION
Hij echter die onoprecht is of slechts begerig naar rijkdom, hij zal niet in staat zijn ons op enigerlei wijze te benadelen, en hij zal zichzelf geheel in het verderf storten.
Wij zeggen met onze geliefde vader C.R.C.:
Phy! Aurum nisi quantum aurum.
Het begon Kennedy duidelijk te worden dat ook zijn belastinghervormingsplannen er niet zonder slag of stoot door zouden komen. En dat was nog zacht uitgedrukt. Het zou oorlog worden, zo hadden ze hem duidelijk gemaakt. En als ze dat wilden, dan konden ze dat krijgen.
Hij was in de bijzondere positie geweest dat hij de financiële steun van het bedrijfsleven niet nodig had gehad om zijn presidentiële campagne te voeren en waarom zou hij zich dan nu door hen laten koeioneren? Het belastingregime moest worden hervormd zodat er een eerlijker verdeling van belastingheffing zou komen, met name zodat de gewone burger, Jan met de Pet dus, minder zou hoeven te gaan betalen. Tevens was het hem sedert lange tijd duidelijk dat de voordelen die de grote bedrijven zich toeëigenden in verband met de belastingheffing, astronomisch waren en maar al te vaak volkomen misplaatst en gebaseerd op oude, totaal gedateerde, belastingwetgeving. Die discrepantie moest recht worden getrokken en hij was precies degene die die klus kon klaren.
Reeds in zijn tijd als senator had hij geprobeerd een aantal soortgelijke belastingvoorstellen erdoor te krijgen, maar dat was jammerlijk mislukt.
Maar nu kon hij het anders aanpakken. Een van de doorslaggevende factoren om de benodigde wetsvoorstellen erdoor te krijgen was om de juiste poppetjes op de juiste plaatsen te krijgen.
Kennedy deed al enige tijd zijn uiterste best om Harvard rechten-professor en langdurig voorvechter van belastinghervormingen Stanley Surrey te benoemen als hoogste belastingambtenaar bij het ministerie. Maar de tegenstand tegen deze benoeming was enorm. De felste tegenstand kwam van de oliemaatschappijen, die al hun gewicht in de schaal gooiden om de benoeming van Surrey te verhinderen. Surrey werd aan een indringende ondervragingsronde onderworpen in de Senate Finance Committee en het was maar zeer de vraag of ze iets van hem zouden heel laten. De lobby van de oliebedrijven draaide overuren om Surrey onderuit te halen. Want ook senatoren hadden het geld en de invloed van het bedrijfsleven nodig om hun felbegeerde positie te verkrijgen en te behouden. Ze zaten nu eenmaal niet in de comfortabele positie van de president.
Minister van Financiën Douglas Dillon steunde zijn baas als vanzelfsprekend, maar had hem ook gewaarschuwd dat het een taaie strijd wou worden om Surrey op die post te krijgen. Want iedereen wist verdomde goed waar Surrey voor stond en wat de reden was dat Kennedy hem voordroeg voor deze functie. Dillon had nog voorgesteld om een iets minder progressief persoon voor te stellen voor de baan, maar Kennedy had geweigerd.
Uiteindelijk lukte het om Surrey benoemd te krijgen, maar alleen met de plechtige belofte dat de Minister van Financiën, en hij alleen, de uiteindelijke zeggenschap over de belastingpolitiek zou behouden.
Dit was een belangrijke stap voor Kennedy in het kader van de door hem beoogde belastinghervormingen. Het was hem sinds jaar en dag een doorn in het oog dat met name de olieindustrie een aantal belastingvoordelen genoot, die volledig uit balans waren met een fatsoenlijke belastingmoraal. Sommige van die regelingen stamden uit ver vervlogen tijden waarin de olie-winning nog in de kinderschoenen stond en de risico's die de oliebedrijven liepen buitensporig groot waren.
Maar die hele goudomrande regeling was zeer dringend aan vernieuwing toe. Maar dat zoiets niet zonder slag of stoot zou gaan, had de geschiedenis reeds meermalen bewezen. Zoals altijd zouden de machtige oliebedrijven tot het uiterste gaan om hun toko te beschermen.
In de Amerikaanse belastingwetgeving bestond namelijk zoiets als de zogenaamde 'oil-depletion,' een speciale regeling voor oliebedrijven die erin bestond dat ze een groot fiscaal voordeel ontvingen wanneer ze boorden naar olie.
En dat voordeel was niet gering. In de zestiger jaren kostten de voordelen op de oliewinsten de Amerikaanse overheid 2 miljard dollar per jaar. Twee miljard! Puur belastingvoordeel voor de oliebazen dus! En dat was in 1963! Om het in de juiste proporties te zien, dat zou vertaald naar heden ten dage zo'n 20 miljard dollar hebben betekend.
Van belang is om te weten hoe die truc nu precies werkte.
Samengevat genoten investeerders in olie en gas drie aparte, unieke belastingvoordelen.
Voordeel 1.
Oliemannen hadden de mogelijkheid tot ogenblikkelijke afschrijving van de meeste kapitaalkosten, terwijl het normale bedrijfsleven slechts de mogelijkheid had tot gefaseerde afschrijving daarvan.
Voordeel 2.
Olie-investeerders hadden de mogelijkheid tot een dubbele aftrek van de initiële investering, gewone investeerders hadden slechts een enkele aftrekmogelijkheid hiervan.
Voordeel 3
Oliemannen hadden de mogelijkheid tot verdergaande aftrek, ook al volgden geen verdere investeringen, anderen hadden geen aftrekmogelijkheden anders dan de initiële investering.
Een ingewikkeld verhaal, maar het volgende voorbeeld over de voordelen van een olie-investering kan het misschien duidelijk maken.
Stel men investeerde 100.000 dollar in het boren naar olie.
Ruwweg 25.000 dollar daarvan werd aangewend voor materiaal, zoals pijpen in de grond en dergelijke. De andere 75.000 dollar, 'intangible drilling expense' genoemd, ging op aan lonen, brandstof, machine en gereedschapshuur.
Deze 100.000 dollar vormden in wezen de kosten voor het ontwikkelen van een inkomenvormend eigendom, namelijk de oliebron. Dat waren dus kapitaalkosten. In alle andere takken van industrie zouden deze kosten stapsgewijs gedurende de levensduur ervan mogen worden afgetrokken als afschrijvingen.
Stel, de oliebron ging twintig jaar mee, dan resulteerde dit in een aftrek van 5.000 dollar per jaar, ingeval de bron tien jaar meeging, dan resulteerde dit in een aftrek van 10.000 dollar per jaar.
Ingeval van olie-investeringen golden echter andere regels. Minimaal driekwart van de kapitaalkosten, de zogenaamde 'intangible drilling expenses,' mochten onmiddellijk worden afgetrokken in het jaar dat de kosten werden gemaakt.
Dus in plaats van 5.000 of 10.000 dollar aftrek in het eerste jaar, kon men dus in het eerste jaar 75.000 dollar ineens aftrekken. De resterende 25.000 dollar mocht vervolgens stapsgewijs worden afgetrokken, net zoals dat ging bij de regelingen voor de overige takken van industrie.
En zo werkte dit positief door.
Stel, iemand had naast zijn olie-investeringen een non-olie-inkomen, dus een inkomstenbron die niets van doen had met oliewinning, van 75.000 dollar. Met aftrek van de 75.000 dollar olie-afschrijving betaalde je dan helemaal geen belasting en kon je het kunstje nogmaals flikken. Die 75.000 dollar zou je dan namelijk nogmaals kunnen investeren in een oliebron …, enzovoorts, enzovoorts …
Stel, het eerste jaar was achter de rug.
En stel, je oliebron leverde 100.000 dollar per jaar op. Dan mocht je 27,5 % daarvan, 27.500 dollar, belastingvrij opstrijken. Deze regeling stond bekend als de zogenaamde 'oil-depletion-rule.'
Mocht de olie-investeerder zijn oorspronkelijke investering dus al voor drie kwart onmiddellijk afschrijven en het resterende kwart op termijn, daarbovenop kon de investeerder zijn investering nog eens belastingvrij terugverdienen door gebruikmaking van de 27,5 % depletion-regeling.
Daarnaast bestond nog een aantal andere gunstige regelingen, zoals de 'capital gains route,' die inhield dat een investeerder die een oliebron verkocht, over de winst slechts 25 procent belasting hoefde te betalen, ongeacht de aftrek die hij met gebruikmaking van de genoemde regelingen ('oil-depletion' en 'intangible drilling expenses') eerder over deze investering had genoten.
Ook bestond de mogelijkheid om verliezen behaald in het ene jaar, door te sluizen naar een volgend jaar waarin weer winst werd gemaakt, zodat die winst omlaag kon worden gehaald en er dus minder belasting hoefde te worden betaald. Ook al was dit verlies slechts ontstaan door gebruik te maken van de aftrekmogelijkheden voor olie-investeringen!
Deze regelingen werkten zodanig uit, dat olie-investeerders in de jaren 1946 tot 1949 bijvoorbeeld negentien maal zoveel konden aftrekken als investeerders in andere sectoren.
Via deze regelingen betaalde een maatschappij als Amerada Petroleum in 1944 over haar nettowinst, begroot op 5.511.000 dollar, slechts een belasting van 225.000 dollar. Dat is dus 4,1 procent, terwijl de gemiddelde belastingdruk voor bedrijven in die periode 55 procent bedroeg.
Deze gegevens zijn overigens te verifiëren in de uitgave van Moody's Industrials van 1945.
Maken we nu de overstap naar 1961.
Het gemiddelde belastingaandeel dat bedrijven in dat jaar betaalden over hun nettowinst was 49%.
Zo niet de oliemaatschappijen.
Volgens Moody's Industrials betaalden de hierna genoemde oliemaatschappijen in dat jaar het volgende percentage aan belasting:
Texaco: 13,2 %
Sinclair: 18,2 %
Socony-Mobil: 31,1%
Standard Oil: 11,7 %
Volgens een ministeriële studie maakte een andere maatschappij, zeg maatschappij X, een bestaande oliemaatschappij, 65.700.000 dollar winst over een periode van zes jaar. Edoch betaalde de maatschappij helemaal geen inkomstenbelasting!
Maatschappij Z ontving zelfs een teruggave van 425.000 dollar van eerder betaalde belasting. Bedrijf Z behaalde over een periode van 14 jaar een winst van 261 miljoen. Een normaal bedrijf zou daarover 130 miljoen belasting hebben betaald. Maar bedrijf Z zat zwaar in de oliebelangen en betaalde slechts 27 miljoen belasting. Een belastingvoordeel van ruim 100 miljoen dus.
In 1957 betaalde het Amerikaanse bedrijfsleven gemiddeld 48,7 procent van hun winst aan belasting. Maar de grote oliemaatschappijen betaalden slechts 23,6 procent.
Minder dan de helft dus. Als deze oliemaatschappijen hetzelfde percentage aan belasting hadden betaald, dan zou hun totale belastingafdracht alleen in dat jaar al een miljard dollar hoger zijn geweest.
De reden voor deze regelingen, die reeds in 1913 in de belastingwetgeving werden opgenomen, was gelegen in de hoge risico's die men liep bij de kostbare oliewinning. Volgens sommigen sloeg deze reden nergens meer op omdat er meer dan genoeg olie voor handen was. In de zestiger jaren was het immers al beleid dat de opbrengst van de Texas oliebronnen werd gelimiteerd tot een opbrengst van 30 procent van hun werkelijke produktiecapaciteit. Simpelweg omdat de vraag naar olie hiermee correspondeerde en omdat men de verwachting had op deze wijze voor langere tijd aan de vraag te kunnen voldoen.
Al in 1926 werd in een studie, verricht onder auspiciën van de Senaat, aangetoond dat twee-derde van de depletion-voordelen werd verkregen uit olievelden waarvan reeds bewezen was dat er voldoende olie voorradig was en waarvan de exploitatie dus weinig risico opleverde. Verder stond toen al vast dat zestig procent van de aftrek ten goede kwam aan grote bedrijven die hun eventuele risico's door hun veelvuldige olieboringen sowieso al konden spreiden en dat de aftrek eveneens werd toegepast door landeigenaren die hun landerijen slechts verhuurden voor olieboringen en dus vrijwel helemaal geen risico liepen, in elk geval niet meer dan om het even welke investeerder in onroerend goed dan ook.
Maar met gebruikmaking van deze riante regelingen werden de oliemagnaten rijker en rijker, zonder dat ze er iets voor hoefden te doen.
Zo veranderde H.L. Hunt, een van de rijkste olie-magnaten, door de oliewinning en de bijbehorende belastingaanpak, van een scharrelaar in lompen tot een oliemagnaat die ergens tussen de twee en drie miljard dollar waard was. Zijn inkomen in de zestiger jaren werd geschat op zo'n miljoen dollar per week. Met dank aan de 'oil-depletion-regeling'!
Studies van het Ministerie van Financiën toonden aan dat een zekere meneer D, die in 1960 een inkomen had van 26 miljoen dollar, geen cent belasting betaalde, net als in 1957 en 1959. Sterker nog, meneer D had over 1960 een verlies gerealiseerd van 846.330 dollar, dat hij vervolgens kon gebruiken om toekomstig te maken winst te verlagen.
En andere zakenman, meneer B, had over de jaren 1958 tot en met 1960 een netto-inkomen gehad van 9.419.000 dollar, maar over geen van die jaren had hij inkomstenbelasting hoeven te betalen.
Maar ook andere rijken beschouwden investeringen in olie als een must, het vormde immers een vrijwel zekere inkomensbron, vrijwel zonder risico's, met dank aan de belastingwetgever.
Zo investeerden filmsterren als Bob Hope en Bing Crosby gezamenlijk in oliebronnen in 'Texas Scurry County' en haalden veel geld binnen. En deze filmsterren konden toch moeilijk risicovolle ondernemers konden worden genoemd!
Maar met deze voordelen hield het niet op.
Want er bestonden ook nog regelingen voor olie-operaties in het buitenland.
Het depletion-regime eindigde namelijk niet bij de landsgrenzen, verre van dat.
Amerikaanse oliemaatschappijen behaalden dezelfde voordelen bij hun buitenlandse olie-operaties.
De binnenlandse depletion-regeling werd vaak gelegitimeerd door het hoge risico en de hoge kosten van olie-boringen in de VS. Dat vormde echter geen enkel beletsel om de Amerikaanse bedrijven in het buitenland, zoals in Koeweit of Saoedi Arabië, waar droge putten nauwelijks voorkomen en de boorkosten laag zijn, omdat de enorme oliereserves schier onafzienbaar zijn, dezelfde voordelen te verlenen als in de VS, dus eveneens 27,5 procent aftrek. Dat was een immens groot voordeel voor Amerikaanse bedrijven aldaar.
In 1955 en 1956 heeft de Arabisch-Amerikaanse oliemaatschappij Aramco bijvoorbeeld depletion aftrek genoten ter hoogte van respectievelijk 148 en 152 miljoen dollar. Hierdoor alleen al had de maatschappij een belastingvoordeel in de VS van 124 miljoen dollar over die twee jaar. Voor datzelfde bedrag schoot de Amerikaanse belasting ermee in. De winst na belasting van Aramco was zo enorm dat twee van haar eigenaren, Standaard Oil of New Jersey en Socony Oil Mobil, in staat waren om hun hele investering in Aramco Oil binnen een jaar terug te verdienen.
Deze overzeese depletion-regelingen waren eveneens van groot belang voor de Amerikaanse oliemaatschappijen. In 1956 was drie vierde van de winst na belasting van Standard Oil of New Jersey afkomstig van buitenlandse olie activiteiten.
Een jaar later bleek dat van de 33 oliemaatschappijen eveneens meer dan drie vierde van hun winst afkomstig was van buitenlandse activiteiten.
Een tweede groot belastingvoordeel in verband met buitenlandse activiteiten had te maken met royalty-betalingen aan vreemde regeringen, betalingen die werden vermomd als inkomstenbelasting.
De Amerikaanse belastingbetaler draaide daar uiteindelijk volledig voor op.
Het werkte zo: stel dat Aramco een bedrag van 100 miljoen betaalde aan de regering van Saoedi Arabië. Als dit zou worden beschouwd als een royalty-betaling, dan kon Aramco dit bedrag aftrekken van haar inkomen in de VS Volgens de bestaande belastingdruk voor bedrijven van 52 procent zou Aramco 48% belasting moeten betalen, de overige 52% zou in principe door de Amerikaanse fiscus worden betaald aan de regering van Saoedi Arabië.
Wanneer, in het andere geval, de 100 miljoen zou worden beschouwd als belasting, dan zou Aramco gerechtigd zijn om haar totale belastingafdracht in de V.S te verlagen met 100 miljoen. Aramco betaalde dan 48% minder belasting en de Amerikaanse fiscus droeg zodoende de gehele last van die 100 miljoen.
En de regering van Saoedi Arabië zal het worst zijn geweest hoe ze hun 100 miljoen ontvingen, zolang het maar op hun rekening werd bijgeschreven. Als royalty of belasting, who cares?
Hoe het ook zij, de route van de belasting werd veel vaker gekozen dan de royalty variant. In 1955 en 1956 heeft Aramco royalty-betalingen gedaan aan Saoedi Arabië ter hoogte van respectievelijk 78 en 80 miljoen en belastingbetalingen ter hoogte van respectievelijk 193 en 200 miljoen!
Kennedy wilde al deze regelingen aanpakken, zodat de onterechte voordelen voor de olie-investeerders en de oliebedrijven werden ingetrokken of in elk geval ingrijpend beperkt.
Toen duidelijk werd dat JFK van zins was om de strijd aan te gaan en die tot het bittere einde uit te vechten, werden de oliebazen zenuwachtig. Deze president was immers zelf financieel onafhankelijk en had geen specifieke campagnehulp nodig. Als het moest kon hij zijn verkiezingscampagne zelf financieren, zonder hulp van welk bedrijf dan ook. En als JFK zou worden herkozen, dan waren de rapen helemaal gaar. Dan zou Kennedy's positie immers onaantastbaar zijn en zou hij er een obsessie van maken om zijn democratische gelijkberechtigingsidealen erdoor te drammen.
De belangen waren simpelweg te groot!
Hoeveel is het leven van een president waard, vraag ik u?
|
|
|
|
In februari 1961 diende Lee Harvey Oswald, een Amerikaanse ex-marinier, bij de Amerikaanse ambassade in Moskou een verzoek in om terug te kunnen keren naar de Verenigde Staten.
Deze Oswald had in september 1959, nadat hij jaren had gediend bij het Korps Mariniers, eervol ontslag gevraagd en gekregen wegens persoonlijke onmisbaarheid, omdat zijn moeder wegens haar zwakke gezondheid zorg nodig had. Daarvoor had Oswald op de mariniersbasis El Toro in Californië, waar hij van november 1958 tot september 1959 gelegen had, het examen Russisch afgelegd. Hij bracht drie dagen door bij zijn moeder in Fort Worth en vertrok daarna naar New Orleans.
Van daaruit vertrok hij per schip naar Engeland. Volgens de Warren-commissie vloog Oswald op 9 oktober vanuit Engeland meteen door naar Helsinki. Uit zijn paspoort bleek echter dat hij pas op 10 oktober naar Helsinki was vertrokken, een klein feitelijk verschil maar een van de ontelbare onjuistheden die de onderzoeken naar de aanslag op Kennedy de navolgende decennia zou kenmerken.
Op 16 oktober kwam Oswald per trein vanuit Finland in Moskou aan. De Russische autoriteiten ondervroegen hem en kwamen er al snel achter dat hij waardevolle informatie kon verschaffen over de Amerikaanse luchtafweertechniek. Oswald was immers in 1957 gestationeerd geweest op de Japanse luchtmachtbasis Atsugi, waar hij deel uitmaakte van een luchtdoelafweer-eenheid die tot taak had de U-2-hangar te bewaken, vanwaar alle dagelijkse zeer geheime U-2-spionagevluchten plaatsvonden.
Documenten over de eventuele betrokkenheid van Oswald bij de Militaire Inlichtingendienst en zijn rol op Atsugi zijn later, na onderzoek door de Warren-commissie, als geheim bestempeld.
Het ging met name om de volgende twee:
Commissiedossier nr. 692: Weergave van officieel CIA-dossier Oswald.
Commissiedossier nr. 931: Oswalds toegang tot gegevens over de U2.
Opnieuw een van de vele voorbeelden van geheimhouding van documenten, waarvan de meeste geheim zullen blijven tot het jaar 2039!
Het idee dat Oswald betrokken was bij geheime inlichtingen-operaties van de CIA zou later, in 1978, aan de House Committee on Assassinations, de enquete-commissie van het Huis van Afgevaardigden inzake de moord op Kennedy, worden bevestigd door Thomas A. Wilcott, voormalig financieel beheerder bij de CIA. Hij stelde dat Lee Harvey Oswald uit de krijgsmacht was gerekruteerd door de CIA 'met als specifiek doel, aanstelling tot dubbelspion in de Sovjet Unie.'
In het begin van 1960 ging Oswald naar de stad Minsk waar hij een baan kreeg als metaalarbeider in een radarfabriek. Hij kreeg een comfortabele flat en een redelijk salaris, iets wat andere arbeiders niet hadden.
De grote vraag was en bleef of hij was gerecruteerd door de CIA of dat hij marxistische sympathieën had, zoals de Warren Commissie beweerde. Deze vraag is nooit afdoende beantwoord zoals zovele vragen nooit afdoende zijn beantwoord. De Warren Commissie wilde graag geloven dat Oswald inderdaad marxistische sympathieën had gehad, maar uit een onderzoek dat officier van justitie Garrison eind jaren 60 naar de aanslag op Kennedy instelde, bleek dat zoiets niet viel te bewijzen. Andere mariniers met wie Oswald had gediend en die veel met hem te maken hadden gehad, konden zich niets herinneren van marxistische of ander subversieve neigingen van Oswald.
In maart 1961 ontmoette Oswald ene Marina Prusakova, en in april 1961 trouwden ze. In februari van dat jaar diende Oswald dus het verzoek in om terug te kunnen keren naar de Verenigde Staten. Noch de V.S, noch de Sovjet Unie maakte bezwaar tegen Oswalds terugkeer! Dit terwijl het er toch verdacht veel op leek dat Oswald was overgelopen en geheime informatie aan de Sovjets had versterkt. De Amerikaanse ambassade leende Oswald het geld voor de terugreis en Buitenlandse Zaken gaf in augustus 1961 toestemming om zijn paspoort te vernieuwen.
In juni 1962 kwamen Lee en Marina Oswald met hun dochtertje aan in New York, waar ze werden verwelkomd door Spas T. Raikin, algemeen secretaris van de American Friends of the Anti-Bolshevik Nations, een particuliere anti-communistische organisatie met connecties in de inlichtingenwereld. Vanuit zijn functie bij de Traveler's Aid Society was Raikin door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht om de Oswalds op te vangen en hulp te bieden na hun terugkeer.
Oswald werd niet ondervraagd of vervolgd voor zijn vermeende overlopen.
De FBI stelde geen nader onderzoek in omdat, zoals Hoover, de directeur van de FBI, later zou verklaren, de Amerikaanse Ambassade in Moskou een betrouwbaarheidsverklaring had afgegeven.
De Oswalds vertrokken vervolgens naar Forth Worth in Texas waar Oswald een baan kreeg bij de Leslie Welding Company.
Het is in die periode dat Oswald in contact komt met een zekere George De Mohrenschildt, een olie-geoloog van Russische komaf en een prominent lid van de Dallas olie-elite.
De Mohrenschildt had via de Russische gemeenschap in Dallas gehoord dat de Oswalds pas onlangs vanuit Minsk in Amerika waren gearriveerd en hij vroeg zich af of er nieuws was uit de stad waar hij zijn jeugd had doorgebracht.
De Oswalds waren bijzonder armlastig en de De Mohrenschildts bezochten hen om te kijken of ze hen behulpzaam konden zijn.
De rest van de Dallas-Russische gemeenschap, anti-communisten, wilde echter niets met de Oswalds te maken hebben omdat ze eerder naar Rusland waren uitgeweken.
Dat deze De Mohrenschildt contact zocht met Lee Harvey Oswald is om meer dan een reden interessant. De Mohrenschildt onderhield al geruime tijd vriendschapsbanden met Jacky Kennedy's familie en nu kruiste zijn pad dat van de latere, veronderstelde moordenaar van Jacky's man, Lee Harvey Oswald.
De wereld is klein.
De Mohrenschildt, oorspronkelijke Von Mohrenschildt, was in 1911 geboren in Mozyr, een kleine stad dichtbij de Poolse grens. In Polen studeerde George von Mohrenschildt op de militaire academie.
In 1938 was hij op aanraden van zijn broer naar Amerika gegaan. Hij werkte kort voor de Humble Oil Company in Houston en werd toen opgeroepen voor dienstplicht. Hij werkte onder meer kort voor de Franse inlichtingendienst en trachtte in dienst te komen van de Office of Strategic Services, de voorloper van de CIA, maar werd geweigerd wegens vermeende verbintenissen met de Poolse geheime dienst.
Von Mohrenschildt raakte verbonden met andere verbannen Russen die zich hadden georganiseerd in de Generaal Vlassov-beweging, een beweging van anti-communistische Russen die vochten tegen de nazi's, in de hoop hun vaderland te kunnen redden. Deze beweging, die ook in Dallas was gevestigd, maakte vooral opgang in steden waar grote groepen Russische bannelingen waren gevestigd. Later werkten vele leden van de Vlassov-beweging voor de CIA.
Von Mohrenschildt haalde in 1944 een masters degree in petroleum geologie aan de Universiteit van Texas en werkte als ingenieur in de olie-industrie.
Hij trouwde met Phyllis Washington, de dochter van een hoge ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Later, ten tijde van de Warren-commissie, werd een onderzoek naar de Washington-familie, die de eventuele connecties van Von Mohrenschildt met regeringskringen had kunnen blootleggen, gedwarsboomd.
In januari 1964 werd Phyllis in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen waarna FBI-directeur J. Edgar Hoover er bij Warren-commissie adviseur J. Lee Rankin in een brief stellig op aandrong niet met haar te spreken. Het FBI rapport dat op 5 maart 1964 over Phyllis Washington is opgesteld is nog steeds geheim.
In Colorado werd Von Mohrenschildt op 11 juli 1949 genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger. Hij nam de Franse naam De Mohrenschildt aan en reisde in zijn vak van olie-consultant de halve wereld rond.
In 1957 bracht hij een jaar door in Joegoslavië, als vertegenwoordiger van de International Cooperation Administration, een onderdeel van het Agency for International Development, een welbekende in Washington gevestigde façade van de CIA. De betrokkenheid van De Mohrenschildt bij de CIA is later bevestigd door niemand minder dan de toenmalige onderdirecteur van de CIA Richard Helms.
In 1961 was De Mohrenschildt een prominent lid van de Dallas elite. Hij was lid van de exclusieve Dallas Petroleum Club en kende Dallas olie-miljonairs als H.L. Hunt, Robert Kerr en Jean de Menil, president-directeur van de International Schlumberger Corporation, een multinational die nauwe banden had met de CIA.
En zo kwam Lee Harvey Oswald dus haast als vanzelf in contact met een persoon die betrekkelijk nauw in contact stond met de CIA, George De Mohrenschildt.
Toeval?
Weinig kans.
De Mohrenschildt was uitverkoren op grond van drie karakteristieken.
Hij was ingebed in de olie-industrie, hij had contacten met de inlichtingendiensten en hij had contacten binnen de regering.
Wellicht dat De Mohrenschildt aanvankelijk als zogenaamde 'babysitter' via de CIA contact onderhield met Oswald om hem in de gaten te houden in verband met zijn terugkeer uit Rusland. Volgens de Warren-commissie was De Mohrenschildt bevriend met J. Walter Moore, een lid van de CIA Domestic Contact Service ter plaatse. Bij Moore informeerde hij ook of Oswald te vertrouwen was en Moore beschreef Oswald bij die gelegenheid als een 'ongevaarlijke idioot.'
Dit is bijzonder interessant omdat de CIA meldde in die periode geen interesse te hebben gehad in Oswald en ook niets over hem wist.
Naast deze connectie met de CIA bestaat er ook interessante informatie waaruit blijkt dat Oswald sinds september 1962 als informant werd betaald door die andere, overbekende overheidsinstantie: de FBI.
Deze aanwijzingen kwamen van de kant van een zekere Alonzo Hudkins, een journalist van de Houston Post.
De FBI heeft vele tipgevers 'in dienst' die het bureau inlichtingen verschaffen over allerlei zaken die voor de binnenlandse veiligheid van belang kunnen zijn. Net zoals trouwens ook de CIA die tipgevers in grote getale in dienst heeft.
Zo zou Oswald 200 dollar per maand hebben ontvangen voor zijn informatie aan de FBI en bekend staan als informant nummer 172. Dat deze informatie wel degelijk serieus werd genomen blijkt uit de officiële bespreking die de officieren van justitie van Texas en Dallas, Waggoner Carr en Henry Wade, op 24 januari 1964 hadden met opper-rechter Earl Warren.
Volgens Wade bestond er namelijk heel wat meer ondersteunend bewijs, zodat deze informatie wel eens zou kunnen kloppen.
Zo zouden in Oswald's adresboek het telefoonnummer en de nummerplaat-gegevens van Dallas FBI agent Thomas Hosty staan vermeld. Maar op de lijst met de inhoud van dat adresboek, die de commissie van de FBI had ontvangen, ontbrak dat adres.
Ook was er volgens Wade een 'regerings-cheque' ter waarde van 200 dollar gevonden in Oswald's bezittingen. Bovendien had een werknemer van Western Union verklaard dat Oswald periodiek soortgelijke bedragen kreeg overgeschreven op zijn rekening. Daarbij kwam nog eens dat Wade, zelf een ex FBI agent, ervan overtuigd was dat Oswald's gewoonte om postbus-adressen te gebruiken zeer goed van pas kon komen voor illegale transacties. Deze manier van werken hielden agenten van de FBI er sinds jaar en dag immers zelf ook op na.
J. Edgar Hoover, directeur van de FBI, verklaarde tegenover de commissie echter dat iedere FBI-informant met naam en nummer bekend was op het FBI hoofdkantoor, maar dat Oswald daar onbekend was en dus nimmer informant van de FBI kon zijn geweest.
De Warren commissie besloot op grond hiervan om deze gegevens niet openbaar te maken. Men was er zich terdege van bewust dat openbaarmaking ervan de integriteit van de regering en haar diensten zou kunnen schaden en daarmee de onafhankelijkheid van het onderzoek naar de moord op Kennedy. Een connectie tussen Oswald en de FBI zou immers alleen maar lucht kunnen geven aan eventuele complottheorieën.
Opnieuw werd cruciale informatie achter gehouden om een samenzwering uit te sluiten. Dezelfde manipulatieve wijze van werken als in het geval van de magic-single-bullet-theorie.
De Commissie ging dus volledig af op de beweringen van Hoover en deed zelf geen daadwerkelijk onderzoek naar de kwestie.
Ook werd journalist Alonzo Hudkins nimmer officieel gehoord.
Later bleek dat de bron van Hudkin's verhaal niemand minder was dan het hoofd van de 'criminal division' van de Dallas Sheriff's Office, Allan Sweatt. Maar ook Sweatt werd nimmer officieel verhoord door de commissie.
Wat nog meer bevreemdt is dat in het omvangrijke rapport van de Warren Commissie nergens melding wordt gemaakt van dit onderwerp, zelfs niet in het onderdeel 'Speculaties en Geruchten', een apart gedeelte wat nu juist was toegevoegd om alle eventueel rondzingende geruchten openbaar te maken.
En als klap op de vuurpijl is het verslag van het verhoor van Alonzo Hudkins door de geheime dienst, zelfs nooit in de Nationale Archieven opgenomen!
Dus welke informatie is er nog meer achtergehouden?
En moeten we dan wachten tot 2039, totdat de informatie die er werkelijk toe doet en die zich op dit moment bevindt in de Nationale Archieven, eindelijk openbaar wordt gemaakt? Als die informatie inmiddels niet is vernietigd?
We wachten al veertig jaar, dat moet toch voldoende zijn.
Hoe dan ook, Oswald was dus ingelijfd.
Vanaf dat moment kreeg de verdere invulling van het complot stap voor stap vorm.
Lee Harvey Oswald zou als een van de zondebokken gaan dienen die benodigd waren om het nepcomplot vorm te geven.
|
|
|
Het contact met Lee Harvey Oswald was dus gelegd.
De Mohrenschildt nam hem voorlopig onder zijn hoede.
Maar wie zat er werkelijk achter het complot om JFK te vermoorden?
TFARC
OLIE MAAKT DEEL UIT VAN TFARC.
TFARC EN OLIE, DAT ZIJN DE SLEUTELWOORDEN.
OIL-DEPLETION DAADWERKELIJK IN GEVAAR!
JFK GAAT TE VER
MAATREGELEN NODIG.
TFARC (OLIE) IS VERBONDEN MET PERMINDEX/OAS/CIA/ANTI-COMMUNISTISCH BOLWERK.
CONTACT TFARC (OLIE) MET CENTRO/PERMINDEX
CONNECTIE LEGGEN MET P-2, Thule-genootschap, Groep U.R. en uiteindelijk: TFARC!!!!!
|
|
|
|
CONNECTIE TUSSEN TFARC EN DE OLIEWERELD VAN DALLAS
TFARC(OLIE) IS VERBONDEN MET PERMINDEX/OAS/CIA/ANTI-COMMUNISTISCH BOLWERK.
Contact TFARC(OLIE) met Centro/Permindex.
TFARC weet dat zij niks meer aan Johnson hebben, Johnson wordt in 1964 gewipt.
1963: Kennedy was op stoom.
Bewijs: staalcrisis en aanval op oil-depletion.
De lobby tegen de belastinghervormingen van Kennedy was mislukt en vice-president Johnson zou met de presidentsverkiezingen van 1964 hoogstwaarschijnlijk worden gedumpt door Kennedy. Dus hoe fanatiek Johnson ook het tegendeel probeerde te bewijzen, zijn rol zou binnen afzienbare termijn zijn uitgespeeld. Als Kennedy bereid was om Johnson als vice-president te laten vallen in 1964, dan betekende dit dat hij vast in het zadel zat en ervan overtuigd was dat hij met zijn huidige populariteit zonder meer zou worden herkozen. Met de daaraan verbonden onvermijdelijke belastingmaatregelen gericht tegen de olie-industrie.
Oliemagnaten beheersen TFARC.
ZIE LEDENLIJST TFARC!
Ik beschik over de ledenlijst.
Het was een stilzwijgende afspraak geworden, een afspraak dat Kennedy het zwijgen moest worden opgelegd, hoe dan ook.
Om te kunnen begrijpen hoe dit uiteindelijk allemaal heeft kunnen leiden tot de perfecte en ultieme misdaad, is het van belang om dit negatieve sentiment in de richting van Kennedy in een breder perspectief te plaatsen.
Olie-magnaten waren via de Dallas Petroleum Club in contact gekomen met George De Mohrenschildt en met vertegenwoordigers van de International Schlumberger Corporation, een bedrijf dat nauwe banden onderhield met de CIA. De Schlumberger Corporation was een grote, Franse onderneming die voor de olie-producenten bodem-onderzoek verrichtte, o.a. door toepassing van springstoffen en geologische meetapparatuur.
Schlumberger had net als de CIA een gemeenschappelijke belangstelling voor de OAS, de door voormalige Franse generaals geleide organisatie die in 1961 in opstand was gekomen tegen president Charles de Gaulle, die Algerije op de weg naar onafhankelijkheid steunde. De CIA gaf in het geheim steun aan deze Franse anti-Gaullistische beweging, hetgeen resulteerde in een aantal aanslagen op De Gaulle's leven.
De Gaulle, die op 8 januari 1959 president was geworden van Frankrijk, erkende op 16 september 1959 het recht van alle ingezetenen van Algerije op zelfbeschikking. Het gewapende, Algerijnse verzet tegen de Franse overheersing, dat zich had verenigd had in het Front de Libération Nationale (FLN), had in september 1958 een in Caïro zetelende voorlopige regering gevormd, de Gouvernement Provisiore de la République Algérienne (GPRA), die door de communisten en verscheidene Afro-Aziatische landen werd erkend.
Na vele geheime en officiële onderhandelingen tussen De Gaulle en de GPRA werd het slot-overleg in Evian op 18 maart 1962 bekroond met een akkoord. Krachtens het Evian-akkoord zou een voorlopige uitvoerende macht, waarin ook FLN-leden zitting zouden hebben, een referendum voor alle ingezetenen voorbereiden. Andere bepalingen betroffen de toekomstige verhouding tussen Frankrijk en Algerije. Een wapenstilstand, afgekondigd op 19 maart 1962, maakte officieel een einde aan de oorlog, die 7 jaar en 5 maanden had geduurd en Frankrijk bijna 20 miljard dollar had gekost. De oorlog kostte het leven aan 24.000 Franse militairen en bijna 200.000 Algerijnen.
De Europese ingezetenen van Algerije wensten zich hierbij niet neer te leggen hetgeen resulteerde in twee opstanden, de Barricadenopstand van 24 januari 1960 en de 'opstand der generaals' van 22 april 1961, onder leiding van de generaals Challe, Zeller, Salan en Jouhaud. Dit verzet werd gebundeld in de Organisation de l'Armée Secrète (OAS). De twee ondergedoken generaals Salan en Jouhaud namen hiervan de leiding op zich. Een golf van terreurdaden in de vorm van kneedbommen en aanslagen overspoelde de grote steden.
Er werden verscheidene aanslagen op het leven van De Gaulle gepleegd. In Pont-sur-Seine vlakbij Parijs reed De Gaulle met zijn auto in een val, waarbij hij alleen door de vaardigheid van zijn chauffeur, die het klaar speelde om de auto onder controle te houden in een inferno van brandende olie, ontkwam aan de dood.
Later ontsnapte De Gaulle nogmaals op miraculeuze wijze aan de dood, toen zijn auto, met daarin eveneens zijn vrouw en schoonzoon, in Petit Clamart, net buiten Parijs, werd doorzeefd met kogels.
Na het Evian-akkoord maakte zich een enorme vernietigingsdrang van de OAS meester. Zij besloot Algerije als een puinhoop achter te laten. Vele openbare gebouwen werden vernield en duizenden Algerijnen werden zonder reden vermoord. Het Franse leger trad hiertegen nauwelijks op. Ter elfder ure kwam tussen de OAS in Algiers en het FLN een overeenkomst tot stand, maar de terreur duurde tot juni 1962 voort. Op 1 juli 1962 vond een referendum plaats over de toekomst van Algerije waarbij 99 % zich uitsprak voor onafhankelijkheid. Op 3 juli verklaarde president De Gaulle dat Frankrijk de onafhankelijkheid van Algerije plechtig erkende.
Na de onafhankelijkheid knoopte het regime van Algerije nauwe banden aan met het Cuba van Castro.
Overigens had John F. Kennedy reeds als senator de onafhankelijkheid van Algerije ondersteund en zou hij later als president, De Gaulle volledig steunen in zijn pogingen om Algerije onafhankelijkheid te verlenen.
Dit is temeer interessant omdat in dezelfde periode de CIA steun verleende aan de OAS in haar pogingen om deze onafhankelijkheid op gewelddadige wijze tegen te houden!
Maar zoals gewoonlijk deed de CIA dit niet openlijk, maar gebruikte ze daar een van haar vele mantel-instellingen voor, maatschappelijke organisaties en ondernemingen die op het eerste gezicht niets van doen konden hebben met welke inlichtingendienst dan ook.
De organisatie die een cruciale rol speelde in deze wirwar van contacten tussen ondernemers, inlichtingendiensten (CIA) en rechts-extremistische organisaties als de OAS, was het sinds 1961 in Rome gevestigde Centro Mondiale Commerciale (wereldhandelscentrum), oorspronkelijk opgericht in Montreal. Het doel van het Centro was zoals de naam al deed vermoeden het bevorderen van de handel in de breedste zin van het woord. Naast een nevenvestiging in Zwitserland had het Centro ook nog een dochter-onderneming, Permindex, wat stond voor PERManent INDustrial EXpositions, een instelling die zich bezig hield met de organisatie van internationale beurzen.
Tot de Raad van Bestuur van het Centro behoorden onder andere de volgende personen:
- Prins Gutierrez di Spadaforo, lid van het Huis van Savoye, een rijke aristocraat met grote belangen in de olie- en wapenindustrie die ooit onder Mussolini onderminister van landbouw was geweest.
- Carlo D'Amelio, de advocaat van voormalige leden van de Italiaanse koninklijke familie
- Jean de Menil, president-directeur van de International Schlumberger Corporation
- Ference Nagy, de verbannen voormalige minister-president van Hongarije en een belangrijk anti-communistisch leider. Nagy was eveneens directeur van Permindex en emigreerde later naar de Verenigde Staten, waar hij zich vestigde in Dallas, Texas.
De grootste aandeelhouder van Permindex was ene majoor Louis Mortimer Bloomfield, een belangrijke advocaat uit Montreal. Bloomfield was oorspronkelijk van Amerikaanse nationaliteit en was een ex-agent van het Office of Strategic Services(OSS), waaruit later de CIA is voortgekomen.
De CIA was in de beginjaren zestig in Italië met een project begonnen, teneinde anti-communistische doelen te ondersteunen en was in wezen een belangenbehartiger van het fascisme. De organisatie waarvan de CIA daarbij gebruik maakte was het Centro Mondiale Commerciale. Het belangrijkste doel van deze organisatie was in feite het heen en weer schuiven van gelden teneinde bepaalde acties en illegale politieke spionageactiviteiten te ondersteunen. Een manier van werken die de inlichtingendiensten, waaronder de CIA, graag toepasten om ongemerkt via commerciële instellingen hun operaties te ondersteunen.
Onder andere werd Centro Mondiale Commerciale ervan verdacht de aanslagen op de Franse president De Gaulle te hebben gesteund. In 1962 werd het Centro er door De Gaulle van beschuldigd de Organisation de l'Armée Secrète (OAS) heimelijk te hebben geholpen. Zo ontdekte de Franse inlichtingendienst dat er tweehonderdduizend dollar heimelijk was doorgesluisd naar de rekening van Permindex bij de Banque de la Crédit Internationale. Ook bestaan er gegevens die er op wijzen dat een zekere Guy Banister, een ex-FBI-man die later in contact stond met de CIA, contant geld liet doorsluizen naar de OAS.
Banister stond eveneens in contact met de Schlumberger Corporation.
De 200.000 dollar werden daadwerkelijk gebruikt om een van de aanslagen op De Gaulle te financieren. Die mislukte, opnieuw.
In 1962 werden zowel Centro Mondiale Commerciale als dochteronderneming Permindex verboden door de Italiaanse en Zwitserse justitie.
Ze voerden nimmer daadwerkelijke handelstransacties uit en ze weigerden te verklaren waar de geldstromen vandaan kwamen.
Het hoofdkantoor van het Centro werd vervolgens verplaatst naar Johannesburg.
En via deze connectie wordt ook een zekere Clay Shaw in het verhaal betrokken.
Clay Shaw, de directeur van de International Trade Mart in New Orleans, vervulde hand- en spandiensten voor de CIA en was lid van het bestuur van zowel het Centro als Permindex. De International Trade Mart was door Shaw opgericht als sponsorbedrijf voor permanente industriële beurzen in het Caribisch gebied en via Permindex verbonden aan het 'moederbedrijf' Centro Mondiale Commerciale.
Later, in 1968, zou Shaw door officier van justitie Garrison worden aangeklaagd voor zijn vermeende rol bij het complot om president Kennedy te vermoorden. Shaw werd gezien als degene die de touwtjes in handen had in New Orleans. Hij recruteerde een aantal handlangers en was degene die het contact onderhield met de opdrachtgevers, met TFARC.
Hoewel de jury uiteindelijk oordeelde dat er wel degelijk zo'n complot had bestaan werd Shaw wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken. Dat was een grove fout van de jury, begrijpelijk misschien, maar een dwaling van recht die nooit meer zou worden goedgemaakt.
Overigens trachtte Minister van Justitie Ramsey Clark ten tijde van de aanklacht tegen Shaw zijn betrokkenheid bij de aanslag te ontkrachten door mede te delen dat Shaw's handel en wandel was onderzocht en dat vaststond dat hij er niets mee te maken had. Dat was vreemd omdat Shaw's naam tot op dat moment niet was opgedoken in verband met het onderzoek naar de aanslag. Ook niet in het Warrenrapport. Waarom en door welke regeringsinstanties zou Shaw dan zijn gecheckt? Later werd de verklaring van Clark door een woordvoerder van het Ministerie van Justitie ingetrokken als zijnde gebaseerd op verkeerde informatie.
Stap voor stap werd het plan om zich van president Kennedy te ontdoen, ingevuld. Twee zaken waren daarbij uitermate belangrijk.
Er bestond een invloedrijke kring van personen die er eenzelfde soort, extreme denkbeelden op na hield en er waren meer dan voldoende middelen aanwezig om de plannen te kunnen uitvoeren.
Zoals gezegd was het van het begin af aan duidelijk dat er naast het daadwerkelijke moordplan een nep-complot zou moeten worden opgezet teneinde de autoriteiten op een vals spoor te zetten. De impact van de moord op de president zou immers zo reusachtig zijn, dat er een zondebok voorhanden moest zijn op wie alle aandacht zich zou kunnen richten.
De basis voor dat nep-complot lag eigenlijk voor de hand.
Vanuit de ultra-rechtse en anti-communistische denkbeelden van TFARC was het via het Centro en Permindex (CIA) en de steun aan de OAS in Algerije, immers maar een kleine stap naar die andere strijd tegen het gehate communisme. Die van de anti-Cuba beweging. De anti-Cuba-beweging werd bovendien al langer door deze instanties gesteund en vormde zodoende een perfecte dekmantel voor de complotteurs.
En zo voegde Clay Shaw via de anti-Cuba-beweging Guy Banister en David Ferrie aan de complot-groep toe, figuren die evenals de rest van de anti-Cuba-beweging woedend waren over het Varkensbaai-debâcle waarvoor ze Kennedy verantwoordelijk hielden.
Guy Banister was een sleutelfiguur in extreem-rechtse kringen en fel anti-Cuba. Hij was lid van de 'John Birch Society' en had nauwe banden met de militie van de 'Minutemen.'
Privé-detective en ex-FBI agent Guy Banister, wiens detectivebureau een ontmoetingsplaats was voor de bannelingen en hun sympathisanten, werd door Shaw ingeschakeld om Oswald zoals dat heet te 'ontluizen.' Lee Harvey Oswald moest zodoende door Banister in de periode voor de aanslag worden betrokken in de anti-Cuba-beweging, met als enige reden om Oswald tot een aanvaardbare aanslagpleger te kunnen bombarderen. In eerdere jaren was Oswald immers geëmigreerd naar Rusland en koesterde hij dus op zijn minst sympathie voor de communistische ideologie. Bekend is ook dat Oswald aanvankelijk pro-Cuba was. Oswald gebruikte het kantoor van Banister in New Orleans als uitvalsbasis voor zijn pro-Cuba activiteiten. Zijn abrupte overstappen tussen de pro- en anti Cuba-beweging waren dan ook onverklaarbaar en tegenstrijdig en slechts bedoeld om Oswald's rol als eenzame, doorgedraaide moordenaar aannemelijk te maken.
Tevens werd David Ferrie ingeschakeld, eveneens fel anti-Castro. Ferrie, een vliegtuigpiloot, had zich al in 1959 aangesloten bij de strijd tegen Castro. Hij werkte voor Sergio Arcacha Smith, het hoofd van het Cubaans Revolutionair Front in New Orleans. Hij vloog geregeld Cubanen over voor sabotagemissies en hij werd genoemd in de overval van een groep Cubanen op de Schlumberger munitiefabriek in Houma, Louisiana, waarbij grote hoeveelheden springstoffen en geweren werden buitgemaakt. Allemaal in het kader van de strijd tegen Castro.
De keuze voor deze dekmantel was om meer dan één reden briljant.
De anti-Cuba beweging bevond zich begin jaren zestig op het hoogtepunt. En dat hoogtepunt werd belichaamd door de plannen die later bekend zouden worden als het 'Varkensbaai-incident.'
Het plan van de CIA om Cubaanse bannelingen Cuba te laten binnenvallen om zodoende de regering van Castro omver te werpen, bestond reeds toen Kennedy tot president werd verkozen. Het plan werd in principe ondersteund door president Eisenhower en vice-president Nixon. De operatie was ontworpen door Allen W. Dulles, directeur van de CIA en zijn adjunct-directeur Richard M. Bissell, die verantwoordelijk was voor de opzet van clandestiene operaties. Het plan bestond uit vier onderdelen: ten eerste, de moord op Castro, ten tweede, een korte propaganda-oorlog gericht tegen de Cubaanse bevolking, ten derde, de invasie van Cuba door een brigade van Cubaanse bannelingen, getraind en bewapend door de CIA en ten vierde, het in gang zetten van een opstand van de plaatselijke bevolking.
Naar alle waarschijnlijkheid hoorde Kennedy pas van de invasie-plannen op 27 november 1960, 18 dagen nadat hij Dulles had herbenoemd als directeur van de CIA. Er zou een luchtaanval worden ondernomen op de Cubaanse luchtmacht-eenheden en de door de CIA getrainde Cubaanse bannelingen zouden met amfibie-voertuigen landen op de Zuidkust van Cuba.
Toen Kennedy door Dulles en Bissell werd ingelicht over het plan, keurde hij het goed noch af. Hij nam het in beraad, vooral omdat Dulles en Bissell een grote reputatie genoten in Washington, zodat Kennedy niets anders kon dan de plannen serieus in overweging te nemen. Pas op 19 januari, een dag voor zijn inauguratie, besprak Kennedy het plan in het Oval Office met Eisenhower, die hem aanraadde het plan te aanvaarden.
De vraag is hoe Kennedy precies over de plannen dacht. Hoewel zijn latere acties erop duiden dat hij er niet achter stond, lijkt het erop dat hij de plannen aanvankelijk wilde uitvoeren. Om zijn bijzonder nipte overwinning op Nixon bij de presidentsverkiezingen achter zich te laten, voelde hij een soort verplichting om tijdens de eerste honderd dagen van zijn presidentschap iets spectaculairs te laten zien. En wat was spectaculairder dan het voornemen om Castro af te zetten en Cuba naar een vrije democratie te leiden?
Uiteindelijk ging Kennedy dan ook schoorvoetend akkoord met de plannen, op voorwaarde dat er geen directe inmenging van de VS zou zijn vereist. Achteraf bleek dat een fatale beslissing te zijn.
Het plan werd door Kennedy zo stil mogelijk gehouden. Zelfs naaste adviseurs wisten er veelal niet vanaf.
Op 14 april gaf Kennedy Bissell het groene licht voor het eerste gedeelte van de actie, om de Cubaanse vliegvelden te bombarderen om zodoende Castro's luchtmacht uit te schakelen. Aanvankelijk had Bissell 16 B-26 bommenwerpers willen inzetten, volgens hem het minimum om de taak te kunnen volbrengen. Maar toen het uur van de waarheid naderde, gaf Kennedy slechts toestemming om 6 B-26's in te zetten. Deze vertrokken op 14 april vanaf een vliegbasis in Nicaragua, bemand met door de CIA getrainde Cubaanse piloten. Op de vliegtuigen en de bommen waren herkenningstekens van de Cubaanse luchtmacht aangebracht. Toen Bissell hoorde van de zes vliegtuigen was hij woedend. De chefs van staven hadden duidelijk aangegeven dat er in de lucht algehele superioriteit moest bestaan, wilde de actie kans van slagen hebben. De volgende morgen werd het nieuws van de aanval wereldwijd bekend. De Cubaanse ambassadeur bij de VN, dr. Raul Roa, beschuldigde de VS ervan de aanval te hebben opgezet.
De 6 bommenwerpers faalden in hun poging om de Cubaanse luchtmacht uit te schakelen en er was een tweede aanval nodig. Geschrokken van de negatieve reacties in de VN blies Kennedy deze tweede aanval af, wat een demoraliserend effect had op de Amerikaanse militaire adviseurs en de Cubaanse bannelingen.
Ondertussen voer de invasievloot, geleid door vijf Amerikaanse oorlogsschepen waarvan de herkenningstekens onherkenbaar waren gemaakt, en verder bestaande uit landingsvaartuigen en vrachtschepen, richting de Varkensbaai aan de zuidwestelijke kust van Cuba. Ze hadden geen luchtsteun en dreigden te worden aangevallen door de Cubaanse luchtmacht die in het geheel niet was vernietigd.
Op zondag 16 april kreeg Kennedy het dringende verzoek om luchtsteun te verlenen aan het konvooi. Het vliegdekschip de Essex voer in de wateren in de buurt van de Varkensbaai en luchtsteun vanaf de Essex zou de invasie kunnen redden.
Kennedy wilde echter geen enkele verdere Amerikaanse betrokkenheid meer en gaf de Essex met haar escorte van zeven oorlogsschepen opdracht om het gebied te verlaten tot tenminste 30 mijl uit de Cubaanse kust.
De volgende dagen landden de bannelingen op de stranden van Cuba en werden totaal verslagen door het Cubaanse leger en de luchtmacht. Ze waren kansloos. Drie schepen werden tot zinken gebracht. Op 20 april waren 114 bannelingen gedood en 1189 waren gevangen genomen.
Het was 20 april, de negentigste dag van Kennedy's presidentschap.
Door de acties van Kennedy was de invasie een ramp geworden. De militaire en CIA-planners zowel als de Cubaanse bannelingen waren verbouwereerd en woedend. De bannelingen voelden zich verraden. Deze voedingsbodem van felle anti-Cuba gevoelens vormde een perfecte dekmantel voor de opzet van het nep-complot om Kennedy te vermoorden. De opzet om de moord in de schoenen te schuiven van een aantal zondebokken, wees dus haast als vanzelf in de richting van de anti-Cuba beweging.
Voor het opzetten van het nep-complot werkten de complotteurs waarschijnlijk samen met een CIA-medewerker, wiens pad dat van de complotteurs al veelvuldig was gekruist en wel in het kader van diezelfde anti-Cuba beweging: E. Howard Hunt, niet te verwarren met de olietycoon H.L. Hunt, eigenaar van de gelijknamige oliemaatschappij.
E. Howard Hunt was later overigens directeur van de persoonlijke veiligheidsdienst van olie-magnaat H.L. Hunt en zou bekend worden als een van de zogenaamde 'loodgieters,' de inbrekers in het democratische hoofdkwartier in het Watergate-gebouw. Een kwestie die president Nixon in 1974 de kop zou kosten.
E. Howard Hunt werd in het tijdschrift 'Spotlight' met zoveel woorden beschuldigd van betrokkenheid bij de moord op president Kennedy. Hunt klaagde 'Spotlight' aan, maar de jury besliste in het voordeel van 'Spotlight' en was op grond van het bewijs van mening dat Hunt via zijn contacten als CIA-agent waarschijnlijk inderdaad een rol had gespeeld in het complot. Hunt was in 1963 namelijk hoofd van het CIA-kantoor in Mexico-City, ten tijde van het voorgewende bezoek van Oswald aan de ambassades van de Sovjet-Unie en Cuba aldaar, zogenaamd om zijn bezoek aan de Sovjet-Unie voor te bereiden. Onderzoek wees later echter uit dat de persoon die op de foto's van de bezoeken aan de ambassades was afgebeeld, niet Oswald was, maar een dubbelganger. Opnieuw was er een vals spoor opgezet om te trachten verwarring te zaaien over Oswald's politieke overtuiging. Opnieuw met als achterliggend doel om Oswald later te kunnen afschilderen als politieke fanaat die zeer wel in staat zou zijn geweest om Kennedy te vermoorden.
Overigens had Hunt in het kader van de Varkensbaai-operatie de Cuban Revolutionary Council opgezet, bedoeld als steunpunt voor de anti-Castro Cubanen in hun strijd om Cuba te bevrijden. De CRC was tot het voorjaar van 1963 gevestigd op Camp Street, nummer 544, in New Orleans, hetzelfde kantoorgebouw waar Banister's detective bureau was gevestigd en waar Ferrie veelvuldig kwam. Hetzelfde adres ook dat stond vermeld op de pamfletten van het 'Fair Play for Cuba Committee,' die Oswald, in zijn rol van pro-Cuba actievoerder, uitdeelde in New Orleans. Organisaties voor en tegen Cuba, gebroederlijk gevestigd in hetzelfde kantoorgebouw!
Voor de complotteurs waren individuele lieden binnen de CIA de aangewezen personen om hen van dienst te kunnen zijn bij de opzet van het dwaalspoor.
Deze samenwerking met individuele CIA-agenten, dus niet met de dienst als zodanig, was op zich niets nieuws.
In de loop van de jaren had de olie-industrie, in het kader van de grote overheidsbelangen die op het spel stonden in verband met de olie-winning in het buitenland, reeds veelvuldig gebruik gemaakt van de adviezen van de CIA en de NSA.
Vanzelfsprekend konden deze diensten niet worden ingeschakeld in het kader van een complot om de president van de VS, hun eigen baas dus, te liquideren. Maar soms verrichtten bepaalde CIA-werknemers op persoonlijke titel hand- en spandiensten voor de oliebaronnen. Het werk werd immers goed betaald en bovendien hielden deze CIA-ers er vaak een eigen agenda op na die niet altijd strookte met de officiële. Het is geen geheim dat bijvoorbeeld lieden als olie-magnaat H.L. Hunt de CIA of in elk geval werknemers daarvan, soms als hun persoonlijke privé-legertje zagen.
Bovendien was ook Shaw gezien zijn positie binnen Permindex bepaald geen vreemde in de wereld van de inlichtingendiensten.
Uit een CIA-memo van 28 september 1967 aan het Ministerie van Justitie, dat in 1977 werd gepubliceerd, blijkt dat Shaw in de jaren 1949 tot 1956 voor de inlichtingendienst dertig rapporten had opgesteld.
Zodoende was de CIA, zij het via individuele contacten, dus wel degelijk betrokken bij het complot.
|
George De Mohrenschildt, die contacten had met de CIA en met particuliere inlichtingendiensten gerelateerd aan de olie-industrie, had in 1962 dus contact gemaakt met Lee Harvey Oswald.
In oktober 1962 zorgde De Mohrenschildt er vervolgens voor dat Oswald naar Dallas vertrok waar hij een maand uit zicht bleef, zelfs van zijn moeder. Hij zou zijn ontslagen bij zijn werkgever, Leslie Welding in Fort Worth, terwijl hij in werkelijkheid ontslag had genomen. Zijn vrouw Marina en hun kind vonden onderdak bij De Mohrenschildt's dochter.
Eveneens in oktober 1962 brachten de De Mohrenschildts de Oswalds in contact met Ruth Paine, een gescheiden vrouw die van Marina graag Russische les wilde hebben. Op 23 april 1963 trok Marina met het kind in bij die vrouw, Oswald vertrok de volgende dag met de bus naar New Orleans. Daarna werd het contact tussen De Mohrenschildt en Oswald verbroken.
De De Mohrenschildts vertrokken een week later voor zaken naar Haïti. Daar hoorden ze van de moordaanslag op Kennedy.
De Warren-cie heeft de vriendschap tussen De Mohrenschildt en Oswald overigens altijd gebagatelliseerd. Opnieuw een houding die moeilijk valt te verklaren.
De Mohrenschildt onderhield immers nauw contact met de latere, vermeende moordenaar van de president!
Op 3 oktober 1963 besloot Oswald plotseling terug te gaan naar Dallas.
Op 4 oktober kreeg hij een baan bij het Texas Schoolboekendepot. Het was nog anderhalve maand tot de 22ste november. Men was op schema. Oswald moest voor die datum immers een baan hebben bemachtigd in een van de gebouwen die grensden aan Dealey Plaza. Natuurlijk bestond er bij de complotteurs een bepaalde voorkeur voor de gebouwen met de beste schutterspositie, maar die was niet doorslaggevend. Zolang Oswald maar aanwezig zou zijn in een van de gebouwen langs de route die de president zou volgen. Dat was cruciaal om hem de aanslag in de schoenen te kunnen schuiven.
22 november 1963.
De president was op weg naar Dallas.
Oswald was op zijn werkplek in het Texas Schoolboekendepot aan Dealey Plaza.
De huurmoordenaars waren ingevlogen.
Een belangrijk punt van aandacht was de keuze van de moordenaars. Ook daar zijn vele theorieën over naar buiten gebracht.
Feit is dat het huurmoordenaars waren die waren gerecruteerd via de OAS. Ze waren ervaren en hadden hun prijs. De aanslagen op De Gaulle waren mislukt, deze keer mochten ze niet falen.
Kort voordat de presidentiële stoet vertrok, namen ze hun posities in.
Om 12:00 uur, 30 minuten en twaalf seconden, Central Standard Time, klonk het eerste schot.
Na de aanslag werd Oswald binnen anderhalf uur opgepakt.
Oswald stapte op een bus en kwam om 13:00 uur aan bij zijn hospita.
Om 13:15 werd Oswald lopend in Tenth Street aangehouden door agent J.D. Tippit. Tippit werd doodgeschoten, volgens sommige getuigen door Oswald, volgens anderen door een andere schutter. Om 13:50 werd Oswald opgepakt in het Texas Theatre, minder dan een uur na Kennedy's dood.
Op zondagochtend, 24 november, zou Oswald vanuit het Dallas-politiebureau worden overgebracht naar de Dallas county-jail, de gevangenis van het district, waar een betere beveiliging mogelijk was. Om 11.21 uur stapten Oswald en zijn begeleiders uit de lift in de keldergarage. Jack Ruby liep naar voren en schoot Oswald neer.
Ruby was een tweederangs nachtclub-eigenaar die hand- en spandiensten verrichtte voor de CIA en goede contacten had bij zowel de maffia als de politie van Dallas. Ook had Ruby contacten binnen de olie-wereld. Enkele dagen voor de aanslag is hij nog gezien in het kantoor van olie-magnaat H.L. Hunt. Onmiddellijk na dat bezoek nam Ruby een grote som geld op van de bank en kocht zes enkele-reis vlieg-tickets naar Mexico. Op de dag voordat Ruby Oswald neerschoot, deelde hij buiten aan het publiek Hunt's extreem-conservatieve lectuur uit en verdedigde hij tijdens een radio-programma diens politieke opvattingen. In het begin van de jaren vijftig hadden Hunt en Ruby elkaar al veelvuldig in de gokwereld ontmoet. Madeline Brown, vice-president Johnson's vriendin, heeft later bekend dat zij Ruby ook kende en zijn nachtclub regelmatig bezocht.
Er bestaan bewijzen dat Ruby Oswald in de gaten hield in de dagen rond de aanslag op Kennedy. Ruby hield na zijn arrestatie aanvankelijk vol dat hij Oswald had vermoord uit medelijden met Jacqueline Kennedy, om te voorkomen dat ze terug zou moeten keren naar Dallas voor het proces tegen Oswald. Maar later zou Ruby verklaren dat hij werd gedwongen tot de aanslag en dat 'de hele wereld verbaasd zou staan als men zou weten wie er achter de moord zat.' Hij probeerde de Warrencommissie meermalen duidelijk te maken dat hij de waarheid wilde vertellen, op voorwaarde dat hij zou worden overgeplaatst naar Washington, omdat hij in de gevangenis in Dallas in gevaar was. Maar tevergeefs. Noch opperrechter Warren, noch commissielid en de latere president Gerald Ford, honoreerden zijn verzoek. En Warren wilde ook helemaal niet dat Ruby meer prijs gaf over wat hij wist. Opperrechter Warren verbood de twee advocaten die in de periode van zes maanden daarvoor onderzoek hadden verricht naar Ruby, om met hem te praten. Die advocaten, Leon D. Hubert jr. en Burt W. Griffin, hadden de fout begaan dat ze Ruby's activiteiten in Cuba tot in detail hadden onderzocht. Dat maakte ze voor Warren ongeschikt om Ruby te ondervragen, omdat dat al te gemakkelijk zou kunnen wijzen naar een complot. Zelfs Gerald Ford kreeg van Warren een verbod om Ruby aangaande zijn Cuba-connecties te ondervragen.
Jack Ruby werd begin 1964 ter dood veroordeeld, maar in 1966 werd deze veroordeling in hoger beroep teniet gedaan. Vlak voor zijn nieuwe proces in 1967 overleed Ruby, onder omstandigheden die nog steeds aanleiding geven tot achterdocht.
Om 13.07 uur, achtenveertig uur en zeven minuten nadat Kennedy dood was verklaard, werd Lee Harvey Oswald dood verklaard in het Parkland Hospitaal te Dallas, in een trauma-kamer naast die waarin de president was overleden.
De doofpot-affaire was begonnen.
De president was vermoord. De vermeende moordenaar eveneens.
De daadwerkelijke moordenaars hadden het land inmiddels alweer verlaten.
De doofpot-affaire was in werking gezet.
Het nep-complot deed zijn werk.
Oswald was namelijk niet de enige zondebok. Ook Banister en Ferrie zijn gebruikt om een dwaalspoor op te zetten dat de aandacht van de daadwerkelijke daders moest afleiden.
Het waren alledrie perfecte zondebokken, dat wel.
Lee Harvey Oswald was een mislukkeling. Hij had in zijn leven wanhopige pogingen ondernomen om serieus te worden genomen. Maar het lukte hem zelden. Zijn vlucht naar de Sovjet-Unie leverde hem uiteindelijk weinig op. Zijn terugkeer naar de VS bracht hem eveneens weinig geluk. Hij was een loser, een perfecte zondebok die zich zonder al teveel moeite liet inlijven om naam te maken in het politieke krachtenveld. Of hij nu pro- of anti-communistisch was, pro- of anti-Cuba, Oswald nam de kans die hem gegeven werd om geschiedenis te schrijven vrijwel klakkeloos aan. Enfin, de labiele gesteldheid van Oswald is inmiddels genoegzaam bekend.
Banister kon om andere redenen eveneens als de perfecte zondebok fungeren.
Guy Banister was 62 en een sleutelfiguur in extreem-rechts. Hij was een illustere politieman geweest. Hij had in 1934 de jacht geleid op bankrover John Dillinger, de eerste publieke vijand nummer 1 van FBI-baas Hoover. Als beloning was hij benoemd tot bureauchef in Chicago. Op speciaal verzoek van de burgemeester van New Orleans was hij in de jaren vijftig naar de stad gekomen om adjunct-chef van politie te worden, maar nadat hij had geprobeerd om de burgemeester te beschuldigen van malversaties, was hij tot ontslag gedwongen. De speciale commissaris van New Orleans voor de bestrijding van de misdaad, Aaron Kohn, noemde Banister een 'tragisch geval,' iemand die leed aan waanvoorstellingen en die zwaar dronk. Na zijn ontslag opende hij een detective-bureau.
Een tragisch persoon, die leed aan waanvoorstellingen!
Opnieuw een perfecte zondebok dus!
Dan David Ferrie.
In 1963 was Ferrie 45 jaar oud. Ex-legerpiloot en ex-piloot voor Eastern Airlines, waar hij was ontslagen als gevolg van onfatsoenlijk gedrag in het kader van zijn homofiele geaardheid. Hij had zich uitgeroepen tot hypnotiseur, kankerspecialist en bisschop van de door hemzelf opgerichte sekte, de heilige Apostolische Katholieke Kerk van Noord-Amerika. Hij liet zich graag aanspreken als 'doctor' omdat hij via een schriftelijke cursus van de dubieuze Phoenix Universiteit in Bari, Italië, een graad in de filosofie had gehaald. Ferrie leed aan "alopecia totalis", waardoor al zijn haar was uitgevallen. Daarom droeg hij altijd een rode pruik die hem niet paste, en had hij wenkbrauwen van mohair gemaakt die hij overdag met lijm vastkleefde. Niemand die hem zag, kon hem ooit nog vergeten. Wat hij met Banister en de anti-Cuba beweging gemeen had, was een ultieme haat voor Kennedy. Ferrie leidde piloten op in het kader van de anti-Cuba-beweging, om wapens en manschappen te vervoeren. Daarnaast was hij als instructeur betrokken bij de guerrilla-opleiding van de Cubaanse bannelingen, die werd geleid door Banister. In die hoedanigheid werkte hij ook mee aan de 'overval' op de munitiebunker van de Schlumberger Corporation in Houma, Louisiana, waar munitie en granaten vandaan werden gehaald die vervolgens werden vervoerd naar New Orleans en tijdelijk opgeslagen in Ferrie's flat en Banister's kantoor. Ook was hij als piloot betrokken bij de mislukte inval op Cuba in de Varkensbaai.
Wat hij met Oswald gemeen had?
Toevallig was Ferrie in de tijd dat Oswald cadet van de Civil Air Patrol (Burger Lucht Patrouillebrigade) van New Orleans was, diens squadronleider geweest. Ferrie kende Oswald dus uit zijn tijd dat Oswald als cadet in zijn squadron had gediend.
En op de avond voor de moord ging Ferrie langs bij Oswalds hospita in New Orleans, mevrouw Garner, om na te vragen of Ferrie's bibliotheekkaart misschien in Oswalds kamer lag. Die kaart had hij eerder aan Oswald uitgeleend. Er bestond dus zonder twijfel een connectie tussen Ferrie en Oswald.
Drie labiele personen, drie perfecte zondebokken.
Voeg daaraan toe ene George De Mohrenschildt, ex-inlichtingen man en olie-geoloog, die in nauw contact stond met de Dallas olie-elite, met de CIA en met het anti-communistische establishment. En die naar alle waarschijnlijkheid nooit precies heeft geweten waarom hij Oswald als protégé onder zijn hoede heeft moeten nemen, maar die zijn opdracht van hogerhand simpelweg als een militaire order heeft uitgevoerd, zoals een inlichtingenman betaamt.
En uiteindelijk Clay Shaw, de enige betrokkene die waarschijnlijk precies wist waarmee hij bezig was. Clay Shaw, de voorzitter van de Trade Mart in New Orleans, lid van het bestuur van Permindex en van Centro Mundiale Commerciale in Italië, allebei mantel-organisaties van de CIA. Clay Shaw, die eveneens in nauw contact stond met de Amerikaanse olie-elite. Clay Shaw, die via duistere praktijken in het Caribisch gebied de anti-Cuba beweging van voldoende fondsen voorzag. Clay Shaw, die Banister en Ferrie persoonlijk kende en op de hoogte was van hun karakters en voorgeschiedenis.
Die Clay Shaw was niet de zoveelste zondebok die simpelweg werd gebruikt zoals de anderen, maar iemand die handelde in opdracht.
In opdracht van een organisatie waartegen hij geen nee kon zeggen. Want daarvoor zat hij er inmiddels te diep in. Als hij nee had gezegd, dan zou het met hem gedaan zijn geweest.
En dat wist hij, beter dan wie ook.
Het scenario van de film JFK zat er dus nog geeneens zo ver naast, behalve dan dat de film uitgaat van het bestaan van een daadwerkelijk complot terwijl dat in werkelijkheid een nepcomplot is geweest, opgezet om de daadwerkelijke toedracht te maskeren.
Gelooft u dit allemaal niet?
Wat doet het ertoe?!
De bedoeling van de complotteurs is geweest om twijfel te zaaien, om een rookgordijn aan te leggen waar niemand meer uit zou kunnen komen. Welke feiten nu precies wel of niet exact klopten, deed er niet meer toe. Niemand, geen enkele overheidsinstantie, de Warren-commissie in 1963, noch de House Select Committee on Assassinations in 1978, is er ooit uitgekomen wie er achter het complot zaten. Volgens de HSCA was er wel een complot, maar ze wisten niet hoe of wat.
Sedert die zwarte dag in november 1963 zijn er ontelbare artikelen, boeken en films over de moord op Kennedy verschenen, met evenzovele complottheorieën en verdachtmakingen. Met welk concreet resultaat? Geen enkel!
De HSCA deed in 1978 nog de aanbeveling aan justitie om de hele zaak opnieuw te onderzoeken. Maar de overheid gaf er geen gehoor aan!
Het rookgordijn heeft zijn werk tot op de dag van vandaag naar behoren gedaan.
Een rookgordijn waaraan de overheidsdiensten elk op hun eigen manier maar zonder het te beseffen, ingrijpend hebben meegewerkt, allemaal met de bedoeling om hun eigen straatje schoon te vegen.
Daarom werden de onderzoeken als een sneeuwbaleffect uitvergroot, naar de betrokkenheid van de maffia, de CIA, de FBI, de anti-Cuba beweging, Castro en noem maar op.
Behalve naar die van de sector die de grootste invloed had en heeft in de VS: de olie-industrie. Terwijl de voordelen van de uitschakeling van Kennedy voor hen veruit het grootst waren. Terwijl zij de middelen en de contacten hadden om zo'n plan ten uitvoer te brengen. Terwijl zij toegang hadden tot een organisatie welks macht al sedert jaar en dag diep is doorgedrongen in het centrum van de Amerikaanse samenleving. Een organisatie die geen president duldde die zich niet aan haar zou onderwerpen …
En hoe ging de doofpot-affaire dan in zijn werk?
Een paar voorbeelden:
Oswald werd bij zijn terugkeer als overloper uit de Sovjet-Unie niet ondervraagd door de CIA.
De tegenstrijdige verklaringen betreffende de autopsie op president Kennedy van de artsen in het Parkland Hospital in Dallas en de artsen van het Bethesda Marine Hospital in Washington.
Het nalaten van de Warren-commissie om cruciale getuigen te verhoren. Zo werd Shaw niet verhoord, noch Ferrie. Shaw werd door minister van Justitie Ramsey Clark zelfs volledig afgeschermd.
Het nalaten van de FBI om Banister in 1963 te verhoren.
Kennelijk was de FBI er veel aan gelegen om een voormalig agent te beschermen.
De limousine van de president werd binnen 24 uur gestript, voordat die kon worden onderzocht.
De kleding van gouverneur Connally werd binnen vierentwintig uur gestoomd.
De hersenen van de president raakten zoek.
De kopie van de Zapruderfilm van de aanslag, die werd onderzocht door de Warren-commissie, was ingekort door de FBI zodat een groot aantal frames ontbraken.
De Warren-commissie negeerde de verklaringen van twintig betrouwbare getuigen die verklaarden dat ze schoten hoorden en rookwolkjes zagen vanuit de richting van de grasheuvel.
Tijdens het onderzoek van de HSCA in 1977/1978 verklaarden 60 getuigen dat ze schoten hadden gehoord die kwamen vanuit de richting van de grasheuvel. Er werd niets mee gedaan.
James T. Tague werd verwond door een kogel die insloeg in een betonnen pilaar bij de onderdoorgang op Dealey Plaza. Die kogel kon gezien zijn richting onmogelijk afkomstig zijn van het Texas Schoolboekendepot. Noch de Warren-commissie noch de HSCA kon dit mysterie oplossen.
Gouverneur Connally en gouverneur Reagan weigerden getuigen uit te leveren ten behoeve van het onderzoek.
De officiële bekendmaking van de 'magic-single-bullet-theory' door de Warren commissie werd zonder slag of stoot aanvaard, terwijl die theorie in de praktijk geen stand hield. En dat wist men! Schietproeven verricht door FBI-agenten hadden dit aan het licht gebracht.
J. Edgar Hoover, de directeur van de FBI, vaardigde kort na de aanslag een richtlijn uit met de opdracht 'op alle hoge medewerkers van het bureau druk uit te oefenen om de moord te onderzoeken en van de feiten een zodanig verslag op te stellen, dat de conclusie zou ondersteunen, dat Lee Harvey Oswald een op zichzelf opererende, zwakzinnige schutter was.' Ook bevatte die richtlijn een speciale toevoeging. Hoover verlangde dat de FBI-functionarissen in Dallas en New Orleans 'alles zouden vernietigen, wat voor het bureau compromitterend zou kunnen zijn.'
De eenzame dader, Lee Harvey Oswald, werd binnen anderhalf uur opgepakt, edoch er werd geen nitraat op zijn handen aangetroffen, waarmee het doorslaggevende bewijs werd geleverd dat hij recentelijk GEEN wapen had afgeschoten.
Oswald was door een aantal medewerksters van het Texas Schoolboekenmagazijn vlak na de aanslag gezien bij een frisdrankenautomaat, een plaats waar hij nooit had kunnen zijn geweest als hij de fatale schoten had gelost.
Getuigen hebben gemeld dat degene die agent Tippit doodschoot een totaal andere persoon was dan die paste bij de omschrijving van Oswald.
De connectie naar Permindex of Centro Mundiale Commerciale is nimmer onderzocht, terwijl Clay Shaw bij beide organisaties hoge functies bekleedde. Daarmee had onvermijdelijk een link kunnen worden gelegd met de CIA en met lieden binnen de Dallas olie-elite.
CIA-directeur George W. Bush zorgde ervoor dat de HSCA geen schadelijke informatie van de CIA loskreeg. Intern vroeg hij echter onmiddellijk om inlichtingen over alle personen die in staat zouden zijn om de medeplichtigheid van de CIA aan de moord op Kennedy en aan het verbergen van de ware toedracht daarvan, boven water te brengen.
De leden van de HSCA en hun staf moesten een 'Verklaring van Geheimhouding' ondertekenen, die in feite inhield dat zij geen informatie mochten onthullen of daarover mochten praten, als de CIA had beslist dat die ontoegankelijk diende te blijven, dit alles op straffe van gerechtelijke vervolging. In feite had daarmee de sturende hand van de CIA indirect greep gekregen op de HSCA. Bijna alle informatie, bewijsmateriaal of getuigenverslagen die bij de CIA gevoelig lagen, werden zodoende uit handen van de commissieleden gehouden.
De handel en wandel van H.L. Hunt, de olie-magnaat en rijkste man van de VS, is nimmer daadwerkelijk onderzocht.
Deze ultrarechtse Hunt had via de olie-wereld van Dallas goede contacten met George De Mohrenschildt. Verder stond hij in contact met Jack Ruby. Hij overtuigde zijn vriend en mede-Texaan Johnson om toch maar het vice-presidentschap onder zijn vijand Kennedy te aanvaarden, want dan zou hij maar 'een hartslag van het Witte Huis verwijderd' zijn. Hunt, die eveneens nauw in contact stond met de CIA, huurde later ex-CIA agent E. Howard Hunt in als zijn persoonlijke veiligheidsadviseur. Marina Oswald, de weduwe van Lee Harvey Oswald, is binnen een maand na de moord op Hunt's kantoor gesignaleerd. Deze H.L. Hunt, wiens enorme olie-inkomsten werden bedreigd door de belastingplannen van Kennedy, die in direct contact stond met zo'n beetje iedereen die betrokkenen leek bij de moord op Kennedy, is nooit gehoord door de Warren-commissie of enige andere autoriteit.
Waarom?
Zelfs niet toen een op 8 november 1963 gedateerd, handgeschreven briefje opdook, dat door verscheidene handschriftexperts eenduidig is toegeschreven aan Lee Harvey Oswald:
"Dear Mr. Hunt,
I would like information concer(n)ing my position.
I am asking only for information. I am suggesting that we discuss the matter fully before any steps are taken by me or anyone else.
Thank you.
Lee Harvey Oswald."
En dan hebben we het nog niet eens gehad over de, in vele gevallen onopgeloste, dood van hoofdpersonen die enig licht op de zaak hadden kunnen werpen.
Allereerst was daar natuurlijk Lee Harvey Oswald, doodgeschoten door Jack Ruby.
Guy Banister overleed in juni 1964 aan een hartaanval, hoewel er verklaringen bestaan dat er een schotwond in zijn lichaam is aangetroffen.
Jack Ruby overleed op 3 januari 1967 in de gevangenis onverwacht aan longkanker, vlak voordat hij een nieuw proces zou krijgen over zijn moordaanslag op Oswald. Er bestaan verdenkingen dat Ruby is geïnjecteerd met een kankerverwekkend middel. In die periode beschikte de CIA al over stoffen die kanker konden veroorzaken. Toediening van slechts een paar microgram was hiervoor al voldoende.
Sedertdien heeft de CIA een uitgebreide techniek ontwikkeld om door de toediening van dodelijke stoffen personen uit te schakelen. In 1975 getuigden CIA-onderzoekers voor de Church-commissie, de commissie ingesteld om de werkwijze van de inlichtingendiensten te onderzoeken, over voorbeelden van zulke stoffen, waarvan de toediening bij een autopsie niet kon worden vastgesteld.
David Ferrie werd op 22 januari 1967, minder dan een week nadat de kranten verslag hadden gedaan van Garrison's onderzoek, dood gevonden in zijn appartement. Op de dag dat de kranten het nieuws brachten, had Ferrie nog telefonisch contact opgenomen met een van Garrison's medewerkers. Hij zei het volgende:
'You know what this news story does to me, don't you. I'm a dead man. From here on, believe me, I'm a dead man.'
(Je weet toch wel wat deze berichten voor mij betekenen, of niet soms? Ik ben ten dode opgeschreven.)
Ferrie liet twee zelfmoordbrieven achter. Zijn dood zou een natuurlijke oorzaak hebben gehad, zo oordeelde de lijkschouwer drie dagen later na een autopsie op Ferrie's lichaam. Hij zou zijn overleden aan een beroerte. Maar Ferrie leed aan hoge bloeddruk. Vlakbij zijn lichaam werden lege medicijnenflesjes gevonden. Een van die medicijnen was bedoeld om het tempo van de stofwisseling te verhogen en zou bij inname van een hoge dosis waarschijnlijk zijn dood hebben veroorzaakt. Officier van Justitie Garrison verzocht de lijkschouwer om opheldering, maar er waren geen monsters van Ferrie's bloed of ruggenmergvocht meer voorhanden.
Clay Shaw overleed op 14 augustus 1974, ten tijde van het onderzoek door de Church Commissie, doodsoorzaak onbekend. Op zijn lichaam is nimmer autopsie gepleegd. De omstandigheden rondom zijn dood zijn vreemd te noemen. Binnen een dag na zijn overlijden werd Shaw begraven. In zijn overlijdensakte stond vermeld dat Shaw's dood het gevolg was van een natuurlijke oorzaak: longkanker. De lijkschouwer van New Orleans, dr. Frank Minyard, die de manier en de haast waarmee Shaw begraven was verdacht vond, besloot een gerechtelijk bevel tot opgraving van het lijk van Shaw te vragen zodat hij kon nagaan of Shaw niet gestorven was als gevolg van opzet. Maar nadat de plaatselijke pers hiertegen protesteerde, onder andere met het argument dat Garrison er waarschijnlijk achter zou zitten in een poging om Shaw alsnog in verband te brengen met de moord op Kennedy, besloot de lijkschouwer uiteindelijk om de opgraving af te gelasten.
En misschien dat de levensloop van George De Mohrenschildt - de medespeler tegen wil en dank in dit tragische scenario, de marionet die zich achteraf misschien nog wel het meest zijn betrokkenheid bij deze morbide geschiedenis heeft aangetrokken - nog wel de meest indringende indruk maakt van allemaal. Zijn levensloop vanaf eind 1963 kan wellicht nog het duidelijkst weergeven wat voor een verschrikkelijke impact de betrokkenheid met een drama zoals dit op iemand's leven kan hebben.
In 1967 moest De Mohrenschildt samen met zijn vrouw Jeanne Haïti definitief verlaten. Ze vertrokken naar Port Arthur, Texas.
In de jaren zeventig woonden de De Mohrenschildts in Dallas. In het voorjaar van 1976 had George een zware bronchitis aanval. Na behandeling verbeterde De Mohrenschildt's bronchitis, maar hij begon sporen te vertonen van een zenuwinzinking.
Hij werd paranoïde en claimde dat de FBI achter hem aan zat.
In de herfst van 1976, terwijl hij in deze slechte toestand verkeerde, volbracht De Mohrenschildt zijn ongepubliceerde manuscript 'I,m a patsy, I'm a patsy!, een titel die weinig te raden overlaat.
De nacht dat hij zijn manuscript af had, probeerde hij zelfmoord te plegen door al zijn kalmeringstabletten in te nemen. Die zelfmoordpoging mislukte.
Vlak na deze poging liet zijn vrouw hem opnemen in het Parkland Hospital, waar hij elektrotherapie kreeg.
Begin 1977 vluchtte De Mohrenschildt, die ervan overtuigd was dat kwade krachten hem achtervolgden, naar Europa in het gezelschap van de Nederlandse journalist Willem Oltmans, die zich in de Kennedy-zaak had vastgebeten en De Mohrenschildt inmiddels goed kende. Later verklaarde Oltmans voor de House Select Committee on Assassinations dat De Mohrenschildt wist van Oswald's plannen om JFK te vermoorden.
Midden maart vluchtte De Mohrenschildt naar Florida. Hij zette een geweer tegen zijn hoofd en stierf op 29 maart 1977, drie uur nadat een vertegenwoordiger van de House Select Committee on Assassinations contact met hem had proberen te zoeken.
De Mohrenschildt had zijn persoonlijke strijd tegen de demonen die hem achtervolgden verloren.
Maar daar hield het niet mee op.
In april 1991 werkte een onderzoeker naar de moord op Kennedy, voor de actualiteiten-rubriek Frontline aan een aflevering over de moord op JFK. De researcher had in Florida gesproken met een vroegere luchtmachtkolonel en mogelijke CIA-pion in de samenzwering, die bereid was om over de aanslag te praten.
Op grond van die toezegging maakte Officier van Justitie Bud Fensterwald, de beheerder van de archieven over de moord op JFK in Washington, een afspraak met de luchtmachtkolonel in Palm Beach, Florida. Een paar dagen voor de afspraak overleed Fensterwald. Zijn lichaam werd gecremeerd, zonder dat er een lijkschouwing had plaatsgevonden.
(Saillant detail: dezelfde Fensterwald had in 1977 de CIA- documenten over de vermeende Franse huurmoordenaars van Kennedy opgevraagd.)
Dat de complotteurs met alles weg zijn gekomen kan echter slechts bewondering oogsten. Waarschijnlijk waren ze zelf ook hoogst verbaasd dat het verhaal van de Warren-commissie is gepikt door de ganse natie, door de burgers, door de overheid, door de gehele wereld. Dat het zo gemakkelijk zou gaan hadden ook zij niet voor mogelijk gehouden. En dat allemaal omdat men blind was, men blind wilde zijn, voor de mogelijkheid van een groter complot. Zoiets kon de beschaafde westerse wereld, dezelfde wereld die het kwaad van de nazi's had verdreven, dezelfde wereld die de koude oorlog met zoveel verve wist te voeren, die notabene slechts luttele tijd daarvoor de Russen in een bloedstollende crisis op de knieën had gekregen, niet overkomen. Nee, het kwaad kon niet zo diep zijn geworteld binnenin het centrum van diezelfde wereld. Dat was onmogelijk en dat moest ook vooral zo blijven.
Maar die manier van denken bestond in september 2001 ook . . .
En de film waarop alles te zien was, waaruit het bewijs voor het bestaan van een samenzwering om de president van de VS te vermoorden, klip en klaar bleek, was voor altijd verdwenen.
In beslag genomen door de FBI, om nooit meer boven water te komen. De film van de Babushka Lady, die de eenzame-dader-theorie, opgedrongen door de FBI van Hoover en overgenomen door de Warren-commissie - met als enige doel om een onderzoek naar de speculaties over een complot in de kiem te smoren - volledig onderuit zou hebben gehaald.
'I now fully realize,' verklaarde Robert Kennedy tegenover een groep studenten aan het San Fernando State College op 3 juni 1968, 'that only the powers of the presidency will reveal the secrets of my brother's death.'
Drie dagen later was ook hij dood.
Robert Kennedy was aan de winnende hand in de strijd om het presidentschap. Maar er mocht nimmer een tweede Kennedy op de troon komen, een Kennedy die dezelfde overtuigingen had als zijn broer, die even financieel onafhankelijk en invloedrijk was als zijn broer, en, erger nog dan dat, die uit was op wraak voor de moord op zijn broer.
En daarmee was het evenwicht weer hersteld.
De cirkel was gesloten.
Het hoogste weten is te weten dat wij niets weten.
Broeder Christian Rosencreutz, Ridder van de Gouden Steen: in het jaar 1459.
|